maandag 10 december 2012

Yi er san, Chinees in de uitgeverijenwereld


Uitgeverijen veranderen met de jaren. Nadat Tilly Hermans vertrok bij Meulenhoff (en een flink aantal schrijvers meenam) heeft het nooit meer iets willen worden met die uitgeverij. Door de fusie met De Boekerij raakte de uitgeverij verder in het slop, in de ban van de commercie zonder literaire aspiraties. En hoewel er menig nieuw directeur zijn schouders onder heeft gezet (aan pogingen heeft het niet ontbroken), is de uitgeverij aan de zijlijn komen te staan. Iets soortgelijks gebeurt nu met uitgeverij De Arbeiderspers, dat met Bruna is gefuseerd en drijft op Arthur Japin, maar verder nog maar weinig grote namen brengt. De Bezige Bij is dan weer een uitgeverij die de andere kant uit schoot en volledig op de kaart is gaan staan. Ze is groter en voller gegroeid. Sterker, ze is als een olifant op de kaart gaan zitten en plet bijna andere uitgeverijen. De uitgeverij heeft vrijwel een monopoliepositie gekregen, maar de keerzijde daarvan is dat de boeken slechter geredigeerd worden.
Er zijn ook een paar uitgeverijen die zichzelf gebleven zijn. Niet veel groter, niet veel kleiner. Althans, niet sinds ik in de literaire wereld kom kijken. Ze varen hun eigenzinnige koers, al jaren. Ze groeiden niet uit hun jasje, ze bleven rustig doorgaan. Neem Cossee. Neem Podium. Neem De Geus. Uitgeverijen die met de jaren gerijpt zijn en een eigen vignet kregen. Je ziet een boek en weet  zonder te spieken bij het logo bij voorbaat van welke uitgever het is (nuja, toch bijna, en in ieder geval herken je altijd een Cosseeboek aan het lettertype en de schuin ingesneden flappen).
De Geus heeft altijd een groot hart gehad. Het is een uitgeverij met een brede blik op de wereld, maar ze laat de Wereldbibliotheek en Van Gennep ver achter zich door de professionaliteit en de bonte mix van bestsellers en de fine fleur van de literatuur. Ze zijn het meest gespecialiseerd in de gebieden waar we het minst vanaf weten en waarvan de minste literatuur tot Nederland doordringt. Al hebben ze ook mooie Noren zoals Lars Saabye Christensen, bepaald geen uithoek van de wereld. Ze hebben van alles wat. En ze hebben geluk (of een goed oog), want hoe vaak konden ze al afreizen naar Zweden om hun auteur proficiat te wensen met de Nobelprijs voor de Literatuur? Al vier keer (J.M.G. Le Clézio (2008), Herta Müller (2009) en Lia Xiaobo (2010) en afgelopen maandag Mo Yan). Hallelulja.
Het is heel gek hoe het recensentenbrein soms kronkels maakt bij het bekijken van de plank met boeken die iedere week weer met een handvol wordt aangevuld. Ik denk dan wel eens heel slim een trend te signaleren. Is De Geus opeens van de Chinezen, zo dacht ik met mijn hoofd schuin om de kaften van Mo Yan's Kikkers en Veranderingen te lezen en de bestsellers schrijvende Yu Hua (zijn boek Broers is heel dik, 863 blz., dus dat neemt nogal wat ruimte in en lijkt direct op vier titels, waarbij het ongelooflijke ook nog eens waar blijkt te zijn, namelijk dat de 863 pagina's maar € 29,95 kosten, maar € 29,95 ja, u leest het goed, hoe kan dat?). Wat leuk, is m'n eerste gedachte. Wat slim ook, daar gebeurt het. Daar broeit en gloeit de wereld, daar komt de toekomst vandaan en dus wellicht ook de nieuwe wereldcultuur. Het enige Chinees dat ik machtig ben is een, twee, drie, maar toen ik laatst yi, er, san tegen een Chinese zei, keek ze me verwonderd en niet-begrijpend aan. Veiliger om het bij lezen te houden en daarbij moet ik direct denken aan dat boeiende boek van Mark Leenhouts, Chinese literatuur van nu uit 2008, waarin hij, een groot vertaler van de Chinese literatuur, de leek op magistrale wijze inwijdt. En wat blijkt? Dat boek kwam ook al bij De Geus uit. Dus hé, niks geen trend, maar een traditie!
Toevallig werd ik vorige week gebeld door niemand minder dan Eric Visser, directeur van uitgeverij De Geus. Het ging over de Amerikaan J.R. Moehringer, waarover later in De Morgen. Maar ik kon niet laten mijn verbazing met hem te delen en jahoor, hij beaamde nog eens dat ik helemaal geen vondst had gedaan, geen lichtend inzicht had gekregen, maar dat De Geus al jaren en jaren en jaren Chinese literatuur uitgeeft. Sommige uitgevers blijven ook altijd hetzelfde.



(Beeldtechnisch geen hoogstandje, maar hier een aanprijzing van het tragikomische Broershttp://www.youtube.com/watch?v=PbDbxzj4Q_o)


woensdag 21 november 2012

Broodroof van Murakami en Menschik



Het lijkt wel een kerstgeschenk en daar kan het in ieder geval toe dienen: de twee broodjesroofverhalen van Haruki Murakami. 72 Pagina's en goud op snee, maar dan modern, door de goudgedrukte beeldtekeningen van de Duitse Kat Menschik.
Kort na het verschijnen van de Kangoeroecorrespondentie, een bundel verhalen die  in Japan oorspronkelijk verspreid verschenen en voor de Nederlandse versie gebundeld werden, komt uitgeverij Atlas opnieuw met ouder werk van de grootmeester. De broodjesroofverhalen dateren oorspronkelijk uit 1981 en 1985 en zijn een duidelijk vervolg op elkaar.
Twee jongens hebben honger, ze besluiten tot een overval van een bakkerij, ze mogen zoveel brood eten als ze willen, maar hebben Kwaad in de zin en dus moeten ze met hun enorme messen, of for that matter met de enorme nagelschaar die op de toonbank ligt (wat doet die daar?) geweld maken.
In het tweede verhaal krijgt de hoofdpersoon een reprise. Hij vertelt over de eerdere broodjesroof en zijn versbakken echtgenote vindt dat er door die overval een vloek op hem rust. Daar moet hij vanaf zien te komen.
De verhalen cirkelen om de absurditeit dat het 'in deze wereld mogelijk [is] dat een slechte keuze tot goede resultaten leidt en een goede keuze tot slechte.' Oplossing: geen keuzes maken. En dat gebeurt in het tweede verhaal dan ook; de hoofdpersoon laat zich op sleeptouw nemen opnieuw het gevecht om broodjes aan te gaan. Het overkomt hem, en juist in die gelatenheid schuilt het absurdisme. De hoofdpersoon begrijpt niet wat hij doet, net zoals pak 'm beet de jongen die in de loopgraven zit in De Kartuize van Parma van Stendhal niet snapt dat hij in het middelpunt van de geschiedenis staat, waar het louter chaos is.
Na lezing denk je even dat een redacteur danwel Murakami heeft zitten slapen, want in het eerste verhaal zullen de hoofdpersonen de tweede dag, buiten het hoogtepunt van het verhaal, naar de Tannhäuser van Wagner luisteren. In het tweede verhaal herinnert de hoofdpersoon zich dat ze juist de eerste dag al naar de Tannhäuser van Wagner luisterden. Het lijkt een detail, kinnesinne, pff, maar het zou me niet verbazen wanneer Murakami juist zo'n kleine verschuiving aanbrengt om te laten zien hoe onbetrouwbaar zijn hoofdpersoon is. De herinnering in het tweede verhaal klopt niet helemaal meer. Neem dus ook dit verhaal maar met een korreltje zout, lijkt hij daarmee te willen zeggen.
Nu moet je de verhalen van Murakami nooit helemaal letterlijk nemen, ze spelen zich doorgaans in een droomwereld af, waarin gedachten, daden en grootse verklaringen voor kleine gebeurtenissen een romige bouillabaisse vormen. Zoals twee croissantjes die hier een 'onsamenhangende toespraak over verkeerslichten' houden.
Leuke kost voor de kerst dus.

Haruki Murakami (vertaling Jacques Westerhoven), De broodjesroofverhalen, Atlas, 75 blz., € 14,95

woensdag 10 oktober 2012



Wat eten we vandaag? Over Goed eten
Jippie, vandaag binnengekomen: Goed eten van Dorien Knockaert, met foto's van Ivan Put (uitgegeven bij De Bezige Bij Antwerpen). Knockaert kende ik nog niet, maar wel was ik eens per ongeluk op haar blog jonge sla terechtgekomen. Ze heeft een tv-kookprogramma, Plan B, en schrijft voor De Standaard.
Goed eten, wat is dat? Nou, dat zou ik wel eens willen weten. Want steeds vaker sta ik in de winkel te weifelen omdat ik geen idee heb wat ik koop. Na het kijken van de Keuringdienst van Waren weet ik dat wijn enkel met water aangelengde druivenpulp is en de amandelspijs uit gevulde koeken hoofdzakelijk uit gemalen bonen bestaat.
Pardon, van suikers word je dik, dus die gevulde koeken waren toch al niet zo'n goed idee. Sterker, na het lezen van De voedselzandloper van Kris Verburgh weet ik dat je van suiker ziek wordt. Je kans op kanker verhoogt er danig mee. Dus ook geen suikers meer. Nog beter de etiketten bestuderen dus. Wat blijkt: in bijna alles zit suiker.
Nóg een complicerende factor: sinds we weten hoe aan het andere eind van de wereld mensen mishandeld worden, verkracht worden, onderbetaald worden, levenslang verminkt raken om onze tafel te vullen, of onze prullenbak nadien, is ieder sperzieboontje, ieder blikje tonijn, ieder banaantje het bestuderen waard. Waar komt het vandaan? Welke firma produceerde het? Wie is er door de productie benadeeld?
En hadden we het al over het milieu? Laat dat blikje tonijn dan ook maar zitten: die vis is met uitsterven bedreigd. Als vis, dan biologisch. En laten we het maar helemaal niet over vlees hebben, dierenleed genoeg (Plenty van Ottolenghi, vol overheerlijke vegetarische recepten, wordt vanzelf een Bijbel, en is overigens ook een inspiratiebron van Knockaert).
Wat kun je dan in godesnaam nog wel eten? Geeft Dorien Knockaert het antwoord? Niet direct, haar boek is geen betoog. Goed eten is meer een kookboek dan een informerend boek over de do's en don'ts van het eten. Het tweede is het en passant. Maar voor een kookboek is het net niet helemaal af, naar mijn smaak: ondanks de glossy foodfoto's moeten een paar recepten het zonder foto stellen. Windowdressing, zoals Johannes van Dam het zo denigrerend noemt, vind ik niet te versmaden in een kookboek: het plaatje bij het praatje. De foto lezen als proloog (is dat quinoa of zijn het sesamzaadjes?), waarbij het water me in de mond sijpelt en vervolgens het recept lezen als het verhaal, de plot, het zelf doen. De foto's van de mensen in Goed eten zijn zelfs sober: aan een gevulde tafel in een tuin lacht niemand, een meisje kijkt zelfs bedenkelijk naar wat op haar bord geschept wordt. Wat een tegenstelling met bijvoorbeeld het Seizoenskookboek van Donna Hay, waar per seizoen verrukkelijke (maar wat erg Australische) recepten in staan, verluchtigd met aantrekkelijke, romantische plaatjes, die waarvan Knockaert zegt te dromen. Goed eten is serieuzere kost, ondanks dat Knockaert monter, nuchter en humorvol schrijft over de haken en ogen aan hedendaagse voeding.
Knockaert begint met het meest impopulaire voedsel ooit: het spruitje! Als om de spruitjeslucht rondom goed en gezond eten direct te verdrijven. Want die lucht ontstaat alleen bij doorkoken, niet als de groente als salade wordt gegeten, of de blaadjes gepeld door de pasta gaan. Het moet gezegd: Knockaert overtuigt meteen. De eco-winkel is net dicht, maar ik zou er naartoe willen snellen voor een netje spruitjes en een van de recepten uit willen proberen.
De gerechten die Knockaert presenteert zijn heel persoonlijk, zoals de troostsoep met witlof, die eigenlijk voor haar opa was bedoeld, maar die hij waarschijnlijk niet heeft gegeten. Of een curry kerstmaal (met verrukkelijke samosa's) om oma te gedenken. En tussendoor bezoekjes aan bijvoorbeeld varkensstallen van vrienden, meewerken op een vissersboot, of koken bij een groep mensen die 'broodkorstjes naar Afrika brengen' (ofwel: koken met restjes en de koelkast als schatkamer gebruiken: onvermijdelijk natuurlijk de minestrone en frittata). Daardoor wordt het boek bijna een persoonlijk kookverhaal.
Alleen bij de taarten (voor de scheidende redacteuren van De Standaard) valt het wat tegen. De echte backerella's  kennen al recepten zonder boter (vervangen door yoghurt bijvoorbeeld) en suikers (in plaats daarvan dadelstroop, agavesiroop of ahornsiroop). Maar alle overige hoofdstukken - met veel aandacht voor venkelzaad en bonen - zijn louter smullen.
Het is even wennen aan de opzet van het boek, maar bij nadere beschouwing werkt het heel goed. Geen strenge parochiepreek, geen geheven vingertje, ook geen gedegen betoog vol facts and figures uit wetenschappelijk onderzoek of proefondervindelijk diëten (zoals Karen Duve's voortreffelijke Fatsoenlijk eten, mijn leven als proefkonijn), maar te hooi en te gras eigen ervaringen bij boeren, vissers en kookgemeenschappen, en doordachte, simpele gerechten, die iedereen bereiden kan en die met uitgekiend schipperen heel verantwoord zijn. En met her en der ook nog een prettige aanbeveling: 'Het lijkt me interessant om geregeld eens wat armer te doen. Weinig kopen en veel maken: een mens kan daar zoveel voldoening uit halen.' Dus inderdaad: jippie. Beter goed eten. Spruitjes morgen! Of toch de armemensenrissotto met knolselderij en paddenstoelen. Of pittenpaté voor op het brood. En alle anderen: hollen morgen, naar de boekwinkel (en dan meteen door naar de ecologische supermarkt).


dinsdag 9 oktober 2012



Kan een auteur zichzelf overtreffen?
Net op de plank gelegd: De dief van Bagdad van Sherko Fatah (uitgeverij Cossee). Ik denk terug aan de enige roman die ik van hem las, We gaan als het donker wordt. Het boek was een internationale seller. Opmerkelijk eigenlijk, want Fatah wist daarin de aantrekkingskracht van Al Qaida bloot te leggen. Bepaald geen salonfähig onderwerp, nee, eerder een mijnenveld. De ongelovige hoofdpersoon Kerim raakt per ongeluk onder de invloed van jihadstrijders en weet net op tijd, vlak voor hij zich als eerstvolgende martelaar moet opblazen, te ontsnappen. Hij belandt in Berlijn, waar dan plots twee andere perspectieven aan de avontuurlijke verhaallijn worden toegevoegd. Dat laatste vond ik jammer, weet ik nog. Maar de manier waarop Fatah datgene wat we eigenlijk allemaal niet willen of kunnen zien zichtbaar maakt, namelijk hoe aantrekkelijk de theorie van Al Qaida is, is betoverend. Daarbij was ik zwaar onder de indruk van zijn melancholische en poëtische stijl, met zinnen als: 'Mijn longen zijn niet ruim genoeg voor deze dag'.
Kan een schrijver zichzelf daarna nog overtreffen? Ja dus. Er is nog ruimte: als Fatah nu de vertelperspectieven beter in toom houdt, wint hij nóg een stukje van mijn ziel. De dief van Bagdad is een historische roman en is net als We gaan als het donker wordt een avontuurlijk verhaal over tegenstrijdige religieuze kampen. De in Bagdad wonende Anwar is niet al te streng in de leer, tot hij in contact komt met de grootmoefti van Jeruzalem. Die voert een strijd a la Hitler en neemt Anwar als lijfwacht mee naar Berlijn. Anwar strijdt aan het front aan de zijde van de Waffen-SS. Aldus een miniaturen samenvatting van de kaft. Meteen bij het openslaan van de eerste pagina herken ik de bijzondere stijl weer: 'Eens stonden we elkaar zo na als twee opgesloten, bange honden, we hadden dezelfde vuiligheid in onze bek, en in die verre, koude nacht was onze angst één, we waren een bang dier met twee koppen.'
Geslaagd? In ieder geval is een begin gemaakt. De rest hoort u later.


vrijdag 5 oktober 2012


Saabyes circus - is autobiografisch beter?
Net binnen: Saabyes circus, de nieuwe roman van de grote Noor Lars Saabye Christensen. Nuja, nieuw... uit 2006, maar nu dan vertaald, door zijn vaste vertaalster Paula Stevens. Het zou 'zijn meest autobiografische roman tot nu toe' zijn, aldus de flap. Is dat een aanbeveling? Ik vraag het me af. Wel voor het grote publiek wellicht, dat smult van waargebeurde verhalen, maar is het dan literair gezien ook meteen interessanter?
Lydia Davis bewijst met haar korte verhalen (net is het tweede deel van The Collected Stories vertaald, door Peter Bergsma) dat het goed is te vertrekken vanuit het persoonlijke en de emotie, maar dat het nog een hele toer is om die emotie om te zetten in iets universeels, iets wat uitdaagt en raakt en verrast. Door uit te benen en juist door afstand te bewaren. Door de emoties te onderdrukken, worden ze gek genoeg sterker, overtuigender.
Hoe meer afstand tot het autobiografische, hoe indringender de tekst? Waarschijnlijk wel. Daardoor krijgt de lezer de ruimte om te ademenen. En adem maakt literatuur levend.