vrijdag 6 september 2013

Storm in een glas water, ofwel: pagina's voor in de kattenbak


Ingezonden brief voor De Volkskrant


Afgelopen weekend gaf Wilma de Rek in De Volkskrant de aftrap voor het literaire seizoen: de boekenpagina's zijn weer gevuld. Zij suggereerde echter dat deze pagina's waardeloos zijn, u kunt ze net zo goed direct onderin de kattenbak leggen. De macht van de recensent is weg, zo stelde zij. Vroeger was alles beter.
Which not, zo toont ook een column van Arjen Fortuin vandaag in NRC Handelsblad aan. In de twee eeuwen dat de literaire kritiek bestaat, verschijnt pakweg iedere vijf jaar de klacht dat de recensent machteloos is. Het lijkt wel inherent aan het vak. Meestal zijn de televisie en de haast in de media de boosdoeners. De Rek haalt dus een oude koe uit de sloot.
Wilma de Rek

Tang op een varken

Ze baseert haar stuk op interviews met uitgevers en trapt ook daarmee in een alom bekende valkuil. Uitgevers denken in verkoopaantallen. Maar als recensenten boekverkopers waren, zou iedere kritiek een positieve zijn. Dan was de criticus het verlengstuk van de uitgever. Bovendien zou de criticus dan steeds op de bestsellers duiken, want sellers verkopen beter. De uitgevers constateren nu juist dat de recensent dat niet doet. Ze beklagen zich er zelfs over dat zij de recensent niet met een etentje kunnen omkopen, was dat maar zo. Blijkbaar is de recensent dus autonoom.
Wilma de Rek en de uitgevers schuiven de recensent een oneigenlijke taak in de schoenen: boeken verkopen. De recensent vervolgens afrekenen op het feit dat hem dat niet lukt, slaat dan ook als een tang op een varken.

Kunde is macht

Hoe meet je de macht van de recensent dan wel? Ja, daar wordt dus al twee eeuwen over gediscussieerd. Grof gezegd is de conclusie dat de recensent een informerende gidsfunctie heeft. Kijk, hier heb je dit, daar staat dat en dat kun je zo en zo interpreteren in de literatuurgeschiedenis, die gaat over grote menselijke vraagstukken. Het kaf van het koren scheiden, dat is het vak van de recensent. Informeren en argumenteren waarom een boek de lezer tot in zijn fundamenten raakt, misschien wel in de ijdele hoop dat dit van ons allen betere mensen maakt. Maar hoe meet je of de lezer informatie tot zich genomen heeft? Informatie leidt niet direct tot het trekken van de portemonnee, integendeel.
Een van de uitgevers kwam met iets interessants: in een goede recensie wordt het besproken boek in de context van een oeuvre en de literatuurgeschiedenis geplaatst. Inderdaad, zo hoort dat. Als de macht ergens ligt, dan daar: bij de kennis.

Tendentieus

Tegenwoordig gebeurt dat vergelijken minder en minder. Het zijn de collega's van Wilma de Rek (en sinds kort zijzelf als chef Boeken van De Volkskrant) die daarvoor verantwoordelijk zijn: recensies krimpen met het jaar. In een stuk van 250 woorden is het vrijwel onmogelijk op de context van een boek in te gaan (saillant detail: dit stuk is niet geplaatst in De Volkskrant omdat ik er geen 250 woorden van wilde maken). Heb je slechts de ruimte van een veredelde flaptekst, dan is het geen wonder meer dat boeken als eenling worden besproken. Bovendien, zolang er op de boekenpagina's lange, holle, tendentieuze stukken als die van De Rek verschijnen, is voor de echte besprekingen geen ruimte over. Gezien de functie van De Rek zou je zelfs kunnen stellen dat de macht tegenwoordig bij de holle frasen ligt, in plaats van bij degelijkheid en kunde (is zij niet de roerganger van haar roedel recensenten?). De vraag is in hoeverre de redactie van een krant diepgravende duiding van een boek aan durft. Breekt de redactie niet eigenhandig de macht van haar recensenten af? Kranten willen snel en hip zijn en vervlakken daardoor. 

En zo zaagt De Rek de poten onder haar eigen stoel weg. Is wat zij schrijft immers niet ook een opinie? Dat maakt van haar stuk een machteloos verhaal. Geen wonder dat de meeste recensenten er hun schouders over ophalen. De macht van de opiniemaker is weg.

Fleur Speet, recensent voor De Morgen en het Financieele Dagblad

vrijdag 24 mei 2013

Recensie van Hoogteverschillen van Julian Barnes in De Morgen, 22 mei 2013






Wie aan Hoogteverschillen begint, koestert bepaalde verwachtingen. De flap rept van ‘liefde en verdriet’, over uit elkaar gerukte mensen. Aan de binnenkant prijkt een prachtig sfeervolle zwartwit foto. Man Booker Prize-winnaar Julian Barnes kijkt bescheiden ingetogen (‘en dus verleidelijk’) weg, met een lichte krul om zijn lippen. Pat Kavanagh stut zachtjes haar kin op zijn hoofd en omarmt hem, terwijl ze tevreden, bijna wakend, in de lens blikt. Wat je ziet is iets wat eigenlijk geheim is, maar vanwege de intensiteit ervan gemakkelijk gedeeld kan worden. Er is genoeg van. Je ziet een evenwichtig huwelijk vol warmte en behaaglijkheid, twee mensen die elkaar door en door kennen. Daaronder staat vermeld wanneer zij elkaar ontmoetten (in 1978), wie Kavanagh was alsof zij een co-auteur is (ze was een literair agent), en wanneer ze trouwden (in 1979). Na dertig jaar huwelijk liet Kavangh in 2008 het leven. Barnes schreef niet eerder expliciet over dit verlies, zo weet iedere Barnes-lezer, enkel een keer zijdelings in Alsof het voorbij is, in een verhaal over vrienden die genoeglijk dineren en het hebben over zoveel kennissen die opeens aan kanker overlijden.
         Dus denk je: dit wordt het verhaal over Kavanagh. Maar waarom zet het dan doodgemoedereerd in als een van de gedistingeerde francofiele essays van Barnes, die we onder meer kennen uit zijn laatste essaybundel Uit het raam? Waarom begint Barnes met een verhaal over de ballonvaart en over Tournachon, bijnaam Nadar, die de ballonvaart aan de fotografie paarde en zo iets nieuws tot stand bracht?
         En waarom fantaseert Barnes in het volgende deel van het boek dan over een oplaaiende liefde tussen twee pionierende ballonvaarders: Sarah Bernhardt en Fred Burnaby? Waarom schrijft hij over het moment dat Burnaby zijn schaduw ziet, haarscherp afgetekend op het weiland in de avondzon, uitvergroot tot immense proportie, waardoor hij even buiten zichzelf treedt? Terwijl Burnaby droomt over Sarah en hen tweeën al ziet als een paar, ‘als samengevoegde dingen, bouwend aan een bestaan, losgekomen van de grond’, wil Sarah niet opstijgen. Onwillekeurig ga je op zoek naar mogelijke analogiën in dit verlangende liefdesverhaal. Verging het Barnes en Kavanagh ook zo? Geen enkele aanwijzing.
         Omdat Barnes maar niet te spreken komt over zijn vrouw, speur je als lezer meer en meer naar metaforen, naar veelbetekenende vooruitwijzingen. Ieder woord krijgt een extra lading, wat dwingt tot traag woordproeven. Dat is overigens geen straf, gezien de eloquentie van Barnes. Uiteindelijk nadert hij in het derde deel de grootste pijn van zijn leven, een pijn die hij waarschijnlijk nooit meer te boven zal komen. Zijn de twee eerste delen van het boek dan doodordinaire afleidingsmanoeuvres? Ze doen denken aan Sprakeloos van Tom Lanoye, die ook pas na veel zelfbeschermende zijpaden te zijn ingeslagen bij zijn aftakelende, dementerende moeder durfde aan te komen. Maar Barnes is niet zo wild en woest. Hij is kalm en beschouwt wijselijk. Op z’n Brits moed verzamelen, is dat wat Barnes doet?
         Deels, maar beslist niet alleen. Daarvoor is de opbouw van het boek te doordacht en spiegelend, met allerlei verfijnde opmerkingen en gebeurtenissen die net even anders terugkeren en zo een rond geheel maken. Barnes was niet van plan een elegie voor Kavanagh te schrijven. Hij wil iets anders vertellen, iets universeels, gedreven vanuit het particuliere lot. Wie diep valt, moet eerst hoogte maken. In het eerste deel komt Barnes te spreken over een jongeman die van een kleine honderd meter te pletter valt. Hij hield een ankertouw van de ballon vast. Toen de ballon door een windstoot plotseling de lucht in schoot, schoot hij mee. En liet los. Hij viel zo hard in een bloemperk dat zijn benen er tot de knieën in landen en zijn ingewanden uiteengereten uit zijn lijf werden geperst. Barnes beschrijft het achteloos en onopvallend, bijna in een bijzin, en dan weet je al dat dit, exact dit de metafoor is voor wat met hem gebeurde toen zijn vrouw aan kanker overleed. Dat piepkleine zinnetje is in al zijn onbewogen rauwheid de exacte vertolking van zijn gemoed.
         Barnes wil laten zien dat twee dingen samenbrengen die nog nooit eerder zijn samengebracht magie oplevert: het levert meer op dan de som der delen. Dat gebeurde met Tournachon. Precies een eeuw na hem zouden fotografie en vliegvaart samenkomen in een aerostatische foto, gemaakt door een astronaut met een speciale Hasselblad-camera vanuit de Apollo 8 die cirkelde om de maan. Van veraf kijken naar de opkomst van de aarde was schokkend en ontroerend. Ook als twee mensen elkaar innig liefhebben gebeurt zoiets. Pas als een van hen wegvalt, merkt de achterblijver dat zij meer waren dan twee individuen. Er is een derde wereld geschapen waarin zij samenleefden, waarin zij praatten, die opeens van veraf wordt bekeken.
         Het is dan ook de privé-taal die Barnes enorm mist, het cocon van woorden dat zij deelden. Het maakt dat hij nog altijd tegen zijn vrouw praat. Net als de dichter Pieter Boskma, die op onvergetelijke, gepassioneerde wijze het gesprek met zijn overleden vrouw aanging in zijn bundel Doodsbloei. Barnes besluit de geheimtaal niet te delen, zoals hij verder ook bijzonder weinig blootgeeft over Kavanagh. Hij blijft zoveel mogelijk op meta-niveau zweven. De huwelijkstaal vol verfijning is volgens hem betekenisloos voor de buitenwacht.
         Ik weet niet of dat laatste waar is. Ieder doorgewinterd paar heeft een eigen taal. Al valt daar veel bij uit te leggen - vaak bestaat die uit running gags die in lagen door de jaren heen zijn opgebouwd en is op den duur nog slechts het topje van de ijsberg voldoende om een hele berg aan woorden over te dragen - in een roman kan Barnes zulke taal voortreffelijk oproepen. Dus is het iets anders wat hem weerhoudt. Zodra hij die privé-taal deelt, behoort ze hem niet meer toe. En waarom iets weggeven wat hij nog iedere dag zo intens koestert, waar hij niet zonder kan? Waarom zo’n schat delen, met het risico dat het paarlen voor de zwijnen blijken?
         En dan speelt er wellicht nog iets anders. Privé-taal, autobiografische intimiteit, wordt door mannen niet zo snel naar buiten gebracht. Het is al snel gênant, of er wordt op neergekeken omdat er geen ‘literatuur’ van te maken zou zijn (maar een goed auteur kan toch ieder onderwerp literaire zeggingskracht geven?! ). Het lijkt een taboe, hier een boekje over opendoen. En het was Barnes er niet om te doen een taboe te doorbreken, al weet hij wel grimmig uit te halen naar vrienden en kennissen die de verkeerde woorden op het verkeerde moment zeggen of juist de goede woorden verzwijgen.
         Dus krijgen we in Hoogteverschillen een verhaal over anders kijken. Van een afstand de wereld en jezelf aanschouwen. Het gaat erom buiten jezelf te treden en zo voller en rijker te worden, met alle gevaar van dien. De metafoor kun je doortrekken van de ballonvaart naar de liefde, maar ook naar het schrijven. In het tweede deel zijn we getuige van de vlucht van de verbeelding. Barnes komt los van de feiten en toont het magische moment dat hij opstijgt naar de fictie van gedachten en gevoelens. Het boek zelf is daarmee een ballonvaart. Van de vaststaande feiten uit het eerste deel naar de zwevende fictie in het tweede tot de diepe, rauwe werkelijkheid in het derde deel, waarbij de naald van de wijzerplaat springt en niets meer te registreren valt.
         Barnes voegt twee dingen bij elkaar die nog nooit eerder samenkwamen: de ballonvaart en de dood van een geliefde. Levert dat magie op? Ja, beslist. Door de verfijnde, breekbare waarneming van zichzelf. Hoe zijn visie op zijn omgeving veranderde door het overlijden van zijn vrouw, hoe hij hardvochtig werd, hoe een doodgewone brug loodzwaar werd om te passeren, hoe van alles ging kantelen en werd uitvergroot tot een langgerekte schaduw. In zorgvuldig gekozen bewoordingen, die het belang van taal nog eens onderstrepen, rekt Barnes zich uit tot een man die nu alleen het beeld vult, en recht in de lens staart.

Julian Barnes (vert. Ronald Vlek), Hoogteverschillen, Atlas-Contact, 128 blz., € 18,95

woensdag 8 mei 2013

De strenge stijl van Tommy Wieringa


Gepubliceerd in De Morgen 8 mei 2013

Het kon eigenlijk niet stuk, Tommy Wieringa (1967) zou het worden, zelfs al ging Oek de Jong er afgelopen zaterdag met de Gouden Boekenuil vandoor voor zijn roman Pier en oceaan. 'Onze romans zijn in een oneigenlijke wedstrijd beland, als twee paardjes in dezelfde baan,' aldus Wieringa, die zaterdagavond - dat moet gezegd - alsnog gelauwerd achterbleef omdat zijn roman de prijs van de lezersjury ontving.
Wie er maandagavond bij was in het chique Amstel Hotel in Amsterdam, vol met in galakleding gestoken genodigden, voelde het al aan zijn water. Het laudatio over Dit zijn de namen, dat werd voorgedragen nadat de amuse met viooltjesblad was verorberd, loog er niet om. Die eindigde met zo'n paukenslag vol lof dat niemand anders meer met het prijzengeld van 50.000 de deur uit zou kunnen gaan. De laudatio's die gaandeweg het diner voor de andere vijf genomineerde romans werden voorgedragen, voor Dorst van Esther Gerritsen, De man zonder ziekte van Arnon Grunberg, Pier en oceaan van Oek de Jong, het al eerder voor de AKO Literatuurprijs genomineerde Dinsdag van het duo Elvis Peeters en Euforie van Christiaan Weijts, waren stuk voor stuk bedeesder van toon. In dat van De Jong werd nog wel een poging ondernomen om minstens zo enthousiast te klinken, en oké, op het moment suprême werd iedereen nog even op het verkeerde been gezet. Juryvoorzitter Clairy Polak liet weten dat de prijs ging naar de auteur 'die grossiert in schilderachtige beelden' en daar staat De Jong's boek bol van. Wieringa's gezicht betrok even, maar toch kwam het niet als een verrassing dat Wieringa de uitverkorene werd. Dat hij twee spannende uren achter de rug had - hij noemde het de 'langdurigste executie die een mens zich kan denken' - bleek uit het feit dat hij hoop had geput uit een soetra, die dicteert dat je geen recht hebt op de vruchten van je werk. In zijn dankwoord liet hij weten dat bij eerdere nominaties alle vergissingen in zijn nadeel waren, en de vergissing nu in zijn voordeel uitviel. 
Het was niet erg leuk geweest als hij had verloren, zo merkte hij achteraf eerlijk op. Hij had beslist een minder leuke avond en zeker een minder leuke nacht gehad. Van tevoren had de auteur beloofd dat hij met pak en al in de Amstel zou springen wanneer hij zou winnen. Het pak bleef droog, want ging uit, maar Wieringa dook inderdaad het water in. Wieringa: 'Drie weken geleden lag er nog ijs op de Amstel, maar nu was het verrukkelijk. Een fijne duik na al die emotionele gebeurtenissen.'

Wieringa werd voor het eerst echt opgemerkt met zijn derde boek, Alles over Tristan (2002). Deze thrillerachtige roman gaat over een biograaf die de onderste steen boven probeert te krijgen in het leven van een dichter en daarmee zijn biografie onmogelijk maakt. De roman kreeg twee uiterst lovende recensies, in het Financieele Dagblad en NRC Handelsblad, en belandde op de longlist van de AKO Literatuurprijs.
Wieringa's doorbraak bij het grote publiek kwam met Joe Speedboot (2005). Een 'jongensboek' over het verlangen te reizen met een zelfgebouwd vliegtuig. Het boek bezingt de vriendschap van een stel jongens uit de provincie die hun illusies zien verdampen. Het stond bij bijna alle grote literaire prijzen op de shortlist en kreeg de F. Bordewijkprijs toegekend.
Ook Ceasarion (2009) oogstte alom lof. In deze Bildungsroman rouwt een adolescente zoon om de dood van zijn aan kanker overleden moeder en raakt hij bekneld door de talenten van zijn ontaarde ouders. In Frankrijk werd Wieringa op basis van deze roman in het rijtje Sebald, Coetzee en Roth geplaatst, in Amerika oordeelde Publishers Weekly dat Wieringa speelt met het mes op tafel. Caesarion is inmiddels genomineerd voor de IMPAC Dublin Award (bekendmaking 6 juni). Vorige maand werd Wieringa bovendien aangewezen om het Boekenweekgeschenk 2014 te schrijven, een grote eer.

De hoofdpersonen van Wieringa zoeken ieder op hun eigen manier naar totale onthechting. Zijn stijl reflecteert dat thema. Met de jaren is die stijl compacter geworden, achter de woorden bevindt zich een grotere wereld. Het Libris-juryrapport rept van 'stilistische bravoure'. Wieringa: 'Waarschijnlijk bedoelen ze daarmee dat je iets met zwier moet wagen. Dat een metafoor die half in de bocht hangt, op het punt eruit te vliegen, toch nog in zijn baan blijft. Ik ben erg blij met het juryrapport. Het zijn lovende woorden, zonder terughoudendheid.'
Hoog in Wieringa's vaandel staan dan ook stilistische strengheid en scherpte. Wieringa: 'Vaak vind je in kleinere oeuvres de grootste zuiverheid. James Salter, Isaak Babel, Richard Yates, Nescio; hun werken zijn reusachtig. En F. Scott Fitzgerald, ik ben verliefd op Fitzgerald. Bij hoge uitzondering vind je nog wel eens iemand die zo verschrikkelijk goed kan schrijven, zoals Peter Terrin.' Naar eigen zeggen schreef Wieringa zijn vorige twee romans in een hoger register: 'Het is bewerkter proza met meer nadruk op de zinnen. In Dit zijn de namen bracht ik meer ontspanning aan. Het is losser van taal.'
In het thrillerachtige Dit zijn de namen ontmoeten twee verhaallijnen elkaar, die van rechercheur Pontus Bek en die van een groep vluchtelingen die over de steppe dwaalt en met een afgehouwen mensenhoofd op zak strandt in een stad. De Libris-jury roemt de twee explosieve thema's die het boek aanraakt: godsdienst en migratie.
Vlak voor de presentatie van het boek twijfelde Wieringa er even aan of zijn roman wel begrepen zou worden: 'Het is een redelijk complex verhaal met filosofische diepgang, zoekend naar de oorsprong van de menselijkheid, namelijk hoe het komt dat de mens gaat geloven. De tijd is er misschien niet ernstig genoeg voor, zo vreesde ik. Alles is immers gericht op de vermaakindustrie en het gemak voor de consumerende, spelende mens. De diepte wordt tegenwoordig geschuwd.' Maar er is een tegenbeweging gaande, onder andere hier in De Morgen. In die nieuwe stroom past deze roman precies en wellicht is de bekroning van Dit zijn de namen dan ook te beschouwen als een statement van de jury om tegen de keer in grote vragen te durven stellen, die de mens boven zichzelf uit tilt.

De mannelijke smaak
Bij de uitreiking van de Libris Literatuur Prijs 2013 werd een klein pamflet uitgedeeld. Daaruit blijkt dat vrouwelijke auteurs dan misschien wel evenredig aan het aantal inzendingen op de longlist komen te staan, maar de shortlist halen ze zelden, laat staan een bekroning met de prijs. In het 20-jarig bestaan van de Libris Literatuurprijs ging deze slechts twee keer naar een schrijfster. Dat heeft niets van doen met de sekse van de juryleden, maar alles met de gevormde canon.
Hoe ontstaat literaire smaak? Ingegoten via de paplepel van door mannen geschreven sprookjes tot de aversie van hoogleraren tegen het werk van Hella Haasse, waardoor over dit icoon lange tijd geen colleges werden gegeven, terwijl Mulisch, Hermans, Wolkers, Reve allemaal op afzonderlijke collegereeksen konden rekenen.
Volgens Wieringa doet het geslacht er niet toe bij de beoordeling, maar dat is toch echt een vergissing. De sekse doet er al toe vanaf het moment dat het eerste echte Literaire werk wordt gelezen en de smaak wordt gevormd. Het is al zoveel vaker gezegd: vrouwen zijn getraind in het lezen van boeken van schrijvers, mannen niet in het lezen van boeken van schrijfsters. Mannelijke thema's, structuren en stijl vormen de basis van de canon, een canon waar Wieringa zich inmiddels ook toe mag rekenenen.

Loopt Aharon Appelfeld straks weg met 60.000 Engelse ponden, of Lydia Davis? Of een van de andere acht genomineerden?


En het werd Lydia Davis!!

(het was hard werken (met dank aan de uitgeverijen voor het beschikbaar stellen van de boeken), maar een groot genot kennis te mogen maken met deze tien enorme oeuvres die genomineerd zijn voor de Man Booker International Prize)

Gepubliceerd in De Morgen, 8 mei 2013




Op 22 mei wordt de winnaar van de vijfde Man Booker International Prize bekendgemaakt. Deze prestigieuze oeuvreprijs gaat sinds 2005 tweejaarlijks naar een levende schrijver die onafgebroken werelds werk publiceert dat in het Engels beschikbaar is, en staat voor 60.000 pond, plus 15.000 pond voor een vertaler. De tien genomineerden vallen op door hun politiek engagement, hun kale stijl en hun humor, maar wie zijn zij en hoeveel kans maken zij op de MBIP?
De Zuid-Indiase Udupi Rajagopalacharya Ananthamurthy (1932) is een ruimhartige mensenvriend die de psychologische gevolgen ontleedt van het traditionele kastensysteem in het veranderende India. Bijna kafkaësk ontkracht hij de mythe van sociale rechtvaardigheid.
Ananthamurthy is een zwaargewicht in Zuid-Azië, alleen al als politicus en universitair docent. Onvermoeid maakt hij zich groot voor zijn moedertaal het Kannada. Zijn laatste roman, Bharatipura, prijkte op de shortlist van de DSC Prize for South Asian Literature, maar helaas is geen enkel boek van hem in het Nederlands vertaald.
Exemplarisch voor zijn thematiek is het verhaal The Grasshopper. Daarin krijgt luiwammes Venkata niet veel voor elkaar, wat hem op verwijten van zijn gezin komt te staan. Maar hij is relatief gelukkig. Als een sprinkhaan ziet hij op het naïeve af het kleine, dat daardoor schittert. Moet je wel blind sociale codes willen aannemen, is de centrale vraag.In een reactie deelt Ananthamurthy de eer van de nominatie graag met alle geweldig schrijvende auteurs in het Indiase taalgebied. Hij greep direct de gelegenheid aan om twee wereldklasse Hindu-schrijvers te bewieroken, die niemand kent omdat hun werk onvertaald bleef. Alleen al vanwege deze sympathieke reactie verdient hij de MBIP.80 % kansDe in Roemenië geboren Israëliër Aharon Appelfeld (1932) is de gedoodverfde winnaar van de MBIP. Hij is als geen ander in staat om verfijnd de complexe verwarring op te tekenen van vijandelijkheid en vriendelijkheid tijdens de Jodenvervolging in Midden-Europa. Op steeds nieuwe wijze bewandelt hij steeds hetzelfde pad: dat van een kind dat meegaand maar alert moet zijn en hoewel het vragen stelt, nooit helemaal doorgrondt wat er aan de hand is. Daardoor is Appelfeld de schrijver van één groot boek.
Zonder oordeel verplaatst hij zich in de jonge geest, waarbij het vanzelfsprekende vertrouwen in de mensheid afbrokkelt en een kind plotsklaps volwassen wordt, zonder cynisme. Het breekbare van zijn hoofdpersonen, dat voortkomt uit ongeloof en tedere lijdzaamheid, blijft heel. Zijn romans zijn daardoor beklemmend tragisch, en tegelijk licht. Zelfs al welt er overlevingsdrang in de personages op, zij aanvaarden in verwondering het lot. Het werk van Appelfeld draait dan ook meer om het lichamelijke dan om de taal, die eerder obstakel is. In het oeuvre van Appelfeld is het zoals in Bloemen der duisternis staat: ‘luisteren naar het zwijgen tussen de woorden’.De eerdere MBIP-winnaar Philip Roth heeft Appelfeld hoog zitten en noemt hem een onthechte schrijver van ontwortelde fictie.99 % kans(uitgeverij Ambo)De Amerikaanse Lydia Davis (1947) is een vlijmscherp observerend schraper en een writer’s writer, die inmiddels door het grote publiek omarmd is. Ondanks dat ze van alle genomineerden bijna de minste pagina’s publiceerde (Collected Short Stories en een roman) zit zij dus geramd, zou je denken. Maar zou het met zo’n diverse lijst niet jammer zijn wanneer een bekende wint?Edoch, haar kortverhalen zijn van werelds niveau. Dit jaar viel een kleine prijzenregen over haar heen, nadat ze in 2007 genomineerd werd voor de National Book Award. Jonathan Franzen noemde haar de ‘magician of self-consciousness’.Haar taal is karig geworden nadat ze Proust vertaalde en diens wijdlopigheid verfoeide. Davis ontroert door afstand en intimiteit samen te brengen in een klein, verrassend, plotloos vraagstuk. Zo blaast ze lucht in de meedogenloze droefenis, en zelfs milde humor. Doordat Davis inzoomt op malende gedachten en die in een korte tijdspanne tegelijk relativeert - haar verhalen zijn soms enkele regels lang - roept ze een spectrum aan steeds intensere emoties op. En dat terwijl haar proza juist zo ‘emotieloos’, of kaal lijkt, ondanks het mededogen zo geobserveerd van buiten. Maar ze raakt ieders hart met dat wat tussen de woorden schuilt, omdat het troost te weten dat mensen elkaar niet verstaan.90 % kans(uitgeverij Atlas)De Pakistaan Intizar Husain (1925) is een chroniqueur van de verandering met zijn nostalgische, modernistische epiek. Het is de schuld van Husain dat Nadeem Aslam, van wie zojuist een nieuw boek verscheen, verslaafd raakte aan literatuur. Het uiteenvallen van India blijft het grote raadsel voor Husain, die tevens journalist is.Hij publiceerde over dit thema vijf romans en zeven verhalenbundels (niets vertaald in het Nederlands). In het Engels is onder meer de klassieker Basti verschenen. Hierin zoomt Husain in op het uiteenscheuren van Bangladesh en Pakistan in 1971. Hoofdpersoon Zakir kijkt als de luitenant uit de Kartuize van Parma van Stendhal verdwaasd, hoopvol en daardoor eenzaam rond, zelfs als hij in een vlechtwerk de uiteenlopende visies van hindoes, boeddhisten en moslims verneemt.Husain is een fervent voorvechter van zijn moedertaal het Urdu. Toch is taal ondergeschikt aan het verhaal, waardoor zijn werk uitgepuurd is. De vorm is wel belangrijk: Husain’s zinnen golven. Alsof hij een gebeurtenis steeds oppakt en betast, herhaling op herhaling stapelend. Dat werkt hypnotiserend. ‘Winkels zijn deels gesloten, deels open.’ Dit is waar, en dat. Met zulk politiek gevoed impressionisme gooit Husain ongetwijfeld hoge ogen, al is het maar omdat het zo verantwoord is.65 % kansDe Chinees Yan Lianke (1958) is een ‘oplichter’, die stroop om de monden van zijn personages smeert, maar ondertussen de spot drijft met het gezag. In zijn weelderige en lieflijk meanderende zinnen schuilt zoveel overdrijving dat Lianke duidelijk een spel speelt. De dagelijkse Chinese werkelijkheid is in Yan’s ogen evengoed een opeenstapeling van absurditeiten, met corruptie en onverschrokken landonteigeningen en huisontruimingen.Twee van zijn romans waren tijdelijk verboden, meer vanwege majesteitschennis dan vanwege de politieke lading. In Dien het volk bewijst een overspelig stel elkaar de liefde door revolutionaire memorabilia te vernietigen, zoals de buste van Mao. Het verboden Dream of Ding Village haalde de shortlist van de Man Asian Prize.Yan schrijft, zeker in vergelijking tot de andere genomineerden, sterk evocerend. Het gekras van cicaden, ‘krachtig en melodieus als marsliederen’. Hij vult veel in, gebruikt veel couleur locale en verzet zich alleen al met zijn stijl tegen de soberte van de partij.Of hij kans maakt, is zeer de vraag. Hij behoort niet tot de top 3 van China (Mo Yan, Yu Hua en de eerder voor de MBIP genomineerde Su Tong) en zijn stijl wordt zo zoetsappig (wat heel lollig is) dat het de vraag is of hij daarmee voldoende gewicht in de schaal legt.45 % kans(uitgeverij Podium)De Franse in Duitsland wonende Marie NDiaye (1967) is een vriendelijk betoverende ‘heks’, die de lezers met overtuigend realisme haar web in lokt, waarna het sprookjesachtige al gauw gewoontjes aan het lijf plakt. Geen literaire experimenten, maar serieuze, zorgelijke ontsporing in dit nette proza.NDiaye ontving de Prix Femina en zowel de Prix Goncourt als de eerste Europese Literatuurprijs voor haar roman Drie sterke vrouwen, over drie landverhuizers. Dit boek is steviger dan haar overige werk verankerd in de realiteit. Toch komen er mysterieuze vogels in voor, zoals in Heksenschool. In die roman staan ze voor de heksendochters van de verteller, een zogenaamde ‘nepheks’ die zich in de nesten werkt. Vogels symboliseren zowel vrijheid als dreiging en dat dualisme ruist door heel dit oeuvre. Vaak draait het om ontaarde ouders, families bulken van de geheimen en problemen. Tegenover onderdrukking en uitbuiting plaatst NDiaye wilskracht en waardigheid.Toch zet NDiaye in haar proza maar weinig op het spel. Het is te soepel, te Desperate Housewives met een toverachtig sausje. Echter, jurylid Aminatta Forna schrijft soortgelijke literatuur. Dus wie weet, keren daarmee NDiaye’s kansen.50 % kans(uitgeverij De Geus)De in Kroatië geboren Canadees Josip Novakovich (1956) is een grenzenzoeker die uitblinkt in het donkere, intelligent humoristische kortverhaal waarin verzoening wordt gezocht. Breekbare onderwerpen zijn goed af in zijn handen. Zo denkt een naar Amerika gevluchte vrouw terug aan een aanranding tijdens de Joegoslavische oorlog, ontmoet een Kroaat, droomt over de aanranding, waarna opeens een wreed-erotisch licht over de man valt. Het is geen genoegdoening of wraak, maar milde verwarring en acceptatie, zonder dat de hoofdpersoon hieronder lijdt.Novakovichs stijl is uit steen gehakt. Onderkoeld en onderzoekend graaft hij met zijn zinnen de diepte in. Zoals in April Fools Day Ivan over de Servische regen opmerkt dat die ruikt naar giftige paddenstoelen en oude bladeren, niet alleen bladeren die zojuist door de lucht zigzagden, maar ook de bladeren die vorig jaar vielen, en duizend jaar geleden. Verder is deze roman opmerkelijk absurdistisch en tragikomisch (vader komt uit de oorlog met zijn arm en been in een aardappelzak). Welke kant te kiezen: Servië, KGB, CIA, alcoholisme?Kirkus Review noemde Novakovich de beste Amerikaanse kortverhalenschrijver van dit decennium. Zijn verhalen zijn inderdaad elegant en empathisch. De Britse traditie van het kortverhaal indachtig, maakt hij daardoor flinke kans, al moet hij opboksen tegen de betere Davis.
65 % kansDe Amerikaanse Marilynne Robinson (1943) is een topdocent die traditioneel, essayistisch proza schrijft over ongemakkelijke huiselijkheid en religieus levensbesef en bovendien is ze een geluksvogel: hoewel ze met drie romans de minste literaire titels publiceerde van alle genomineerden, staat ze voor de tweede keer op de shortlist.Barack Obama las haar roman Gilead, waarvoor ze de Pullitzer Prize kreeg, Thuis werd genomineerd voor de National Book Award en kreeg de Orange Prize toegekend. Robinson schrijft literatuur volgens het boekje van de critici. Ze snijdt morele dilemma’s aan over ras, religie en gezin, terwijl ze Bijbelse verwijzingen verknoopt met verwijzingen naar de wereldliteratuur. Zo knipoogt haar debuut over twee weeskinderen naar Moby Dick en de zondvloed om het thema te benadrukken dat alleen het voorbijgaande blijvend is.Robinsons werk is contemplatief, vriendelijk en beschouwend. Neem een zin als deze uit Gilead: ‘Een man kan zijn vader kennen, of zijn zoon, en toch kan er tussen hen niets anders zijn dan genegenheid en liefde en wederzijds onbegrip.’ Paf, vergeefse moeite, zo toont de rechtschapen, moralistische predikant in de memoires die hij zijn zevenjarige zoontje nalaat.Twee keer genomineerd en de prijs niet krijgen? Dat zou kras zijn. Maar het zijn geen critici die de jury bevolken, het zijn romanciers...70 % kans(uitgeverij De Arbeiderspers)De Russische Vladimir Sorokin (1955) is de provocateur van de lijst, hij kwispelstaart energiek en speelt met postmodernistische vormen in realistisch, ironisch proza waarin hij steevast de politieke kopstukken uitdaagt. Niets is hem heilig. Vandaar dat zijn werk tot de perestrojka in Duitsland moest verschijnen. In 2005 probeerde de jeugdbeweging van Poetin Sorokin nog voor de rechter te slepen omdat in een van zijn romans de bejaarde Chroetsjov en Stalin seks met elkaar bedreven. Daarmee zou Sorokin het politieke establishment besmeurd hebben met porno. De klacht werd ongegrond verklaard.Welbekend is zijn novelle De rij, waarin hij enkel met dialogen de befaamde Russische rij voor de winkel bespot. Het absurdisme is in zijn werk nooit ver. Met zijn satire IJs, waarin het hedendaagse Moskou is bevolkt met verdorven vleesmachines die enkel moorden, paren en baren en waarin goed en kwaad willekeurig rouleren in een geheimzinnige sekte, haalde hij de shortlist van de Russische Booker Prize. Iemand met een ijshamer op het borstbeen slaan tot de splinters eraf vliegen; ach, tamelijk gewoon toch? Sorokin vermengt in deze roman Sovjet-kitsch met stijlelementen uit de sf en detective. Hij bespeelt eigenlijk alle registers en ontspoort daardoor een beetje. Waar hem te plaatsen? Bij het hoofdstukje vrolijk, maar serieus geëngageerd doch ongeleid projectiel?30 % kans(uitgeverij Ambo)De Zwitser Peter Stamm (1963) is een neerslachtige realist, die zonder gepsychologiseer de perversiteit en sluimerende leegte van de mens inzichtelijk maakt. Elf romans en verhalenbundels staan op Stamm’s naam, die ook toneel schrijft en net als Husain journalist is. Deze zomer verschijnt Sieben Jahre in het Nederlands. De Engelse publicatie hiervan werd direct door Zadie Smith gespot. Zij oordeelde dat dit verhaal over overspel van een gewetenloze, liefdeloze man je laat twijfelen over je vooringenomenheid.Stamms personages zijn ontaarde kosmopolieten. Kathrine is douanebeambte in Noorwegen, en beproeft in Parijs met een Deen haar kansen. In Agnes leert een Zwitser in Chicago een studente kennen. Andreas is een leraar Duits in Parijs. De verteller uit Sieben Jahre werkt als architect in Duitsland en gaat vreemd met een lelijke Poolse. Steeds draait het om het bezweren van bindingsangst, het egoïstisch achterlaten van een ander, om absentie en hoeveel geluk daarin schuilt.Stamms fictie doet Scandinavisch aan, als een gestripte Grøndahl, maar raakte met de jaren steeds meer uitgebeten. Geen krullen, enkel de kille biecht. Zijn nominatie is waarschijnlijk te danken aan jurylid Tim Parks, die Stamm vorig jaar in een artikel noemde. Parks zal zich sterk moeten maken, want dit proza schiet bij wijlen zijn doel voorbij in afstandelijkheid.
25 % kans

(uitgeverij De Geus en uitgeverij De Arbeiderspers)