woensdag 8 mei 2013

De strenge stijl van Tommy Wieringa


Gepubliceerd in De Morgen 8 mei 2013

Het kon eigenlijk niet stuk, Tommy Wieringa (1967) zou het worden, zelfs al ging Oek de Jong er afgelopen zaterdag met de Gouden Boekenuil vandoor voor zijn roman Pier en oceaan. 'Onze romans zijn in een oneigenlijke wedstrijd beland, als twee paardjes in dezelfde baan,' aldus Wieringa, die zaterdagavond - dat moet gezegd - alsnog gelauwerd achterbleef omdat zijn roman de prijs van de lezersjury ontving.
Wie er maandagavond bij was in het chique Amstel Hotel in Amsterdam, vol met in galakleding gestoken genodigden, voelde het al aan zijn water. Het laudatio over Dit zijn de namen, dat werd voorgedragen nadat de amuse met viooltjesblad was verorberd, loog er niet om. Die eindigde met zo'n paukenslag vol lof dat niemand anders meer met het prijzengeld van 50.000 de deur uit zou kunnen gaan. De laudatio's die gaandeweg het diner voor de andere vijf genomineerde romans werden voorgedragen, voor Dorst van Esther Gerritsen, De man zonder ziekte van Arnon Grunberg, Pier en oceaan van Oek de Jong, het al eerder voor de AKO Literatuurprijs genomineerde Dinsdag van het duo Elvis Peeters en Euforie van Christiaan Weijts, waren stuk voor stuk bedeesder van toon. In dat van De Jong werd nog wel een poging ondernomen om minstens zo enthousiast te klinken, en oké, op het moment suprême werd iedereen nog even op het verkeerde been gezet. Juryvoorzitter Clairy Polak liet weten dat de prijs ging naar de auteur 'die grossiert in schilderachtige beelden' en daar staat De Jong's boek bol van. Wieringa's gezicht betrok even, maar toch kwam het niet als een verrassing dat Wieringa de uitverkorene werd. Dat hij twee spannende uren achter de rug had - hij noemde het de 'langdurigste executie die een mens zich kan denken' - bleek uit het feit dat hij hoop had geput uit een soetra, die dicteert dat je geen recht hebt op de vruchten van je werk. In zijn dankwoord liet hij weten dat bij eerdere nominaties alle vergissingen in zijn nadeel waren, en de vergissing nu in zijn voordeel uitviel. 
Het was niet erg leuk geweest als hij had verloren, zo merkte hij achteraf eerlijk op. Hij had beslist een minder leuke avond en zeker een minder leuke nacht gehad. Van tevoren had de auteur beloofd dat hij met pak en al in de Amstel zou springen wanneer hij zou winnen. Het pak bleef droog, want ging uit, maar Wieringa dook inderdaad het water in. Wieringa: 'Drie weken geleden lag er nog ijs op de Amstel, maar nu was het verrukkelijk. Een fijne duik na al die emotionele gebeurtenissen.'

Wieringa werd voor het eerst echt opgemerkt met zijn derde boek, Alles over Tristan (2002). Deze thrillerachtige roman gaat over een biograaf die de onderste steen boven probeert te krijgen in het leven van een dichter en daarmee zijn biografie onmogelijk maakt. De roman kreeg twee uiterst lovende recensies, in het Financieele Dagblad en NRC Handelsblad, en belandde op de longlist van de AKO Literatuurprijs.
Wieringa's doorbraak bij het grote publiek kwam met Joe Speedboot (2005). Een 'jongensboek' over het verlangen te reizen met een zelfgebouwd vliegtuig. Het boek bezingt de vriendschap van een stel jongens uit de provincie die hun illusies zien verdampen. Het stond bij bijna alle grote literaire prijzen op de shortlist en kreeg de F. Bordewijkprijs toegekend.
Ook Ceasarion (2009) oogstte alom lof. In deze Bildungsroman rouwt een adolescente zoon om de dood van zijn aan kanker overleden moeder en raakt hij bekneld door de talenten van zijn ontaarde ouders. In Frankrijk werd Wieringa op basis van deze roman in het rijtje Sebald, Coetzee en Roth geplaatst, in Amerika oordeelde Publishers Weekly dat Wieringa speelt met het mes op tafel. Caesarion is inmiddels genomineerd voor de IMPAC Dublin Award (bekendmaking 6 juni). Vorige maand werd Wieringa bovendien aangewezen om het Boekenweekgeschenk 2014 te schrijven, een grote eer.

De hoofdpersonen van Wieringa zoeken ieder op hun eigen manier naar totale onthechting. Zijn stijl reflecteert dat thema. Met de jaren is die stijl compacter geworden, achter de woorden bevindt zich een grotere wereld. Het Libris-juryrapport rept van 'stilistische bravoure'. Wieringa: 'Waarschijnlijk bedoelen ze daarmee dat je iets met zwier moet wagen. Dat een metafoor die half in de bocht hangt, op het punt eruit te vliegen, toch nog in zijn baan blijft. Ik ben erg blij met het juryrapport. Het zijn lovende woorden, zonder terughoudendheid.'
Hoog in Wieringa's vaandel staan dan ook stilistische strengheid en scherpte. Wieringa: 'Vaak vind je in kleinere oeuvres de grootste zuiverheid. James Salter, Isaak Babel, Richard Yates, Nescio; hun werken zijn reusachtig. En F. Scott Fitzgerald, ik ben verliefd op Fitzgerald. Bij hoge uitzondering vind je nog wel eens iemand die zo verschrikkelijk goed kan schrijven, zoals Peter Terrin.' Naar eigen zeggen schreef Wieringa zijn vorige twee romans in een hoger register: 'Het is bewerkter proza met meer nadruk op de zinnen. In Dit zijn de namen bracht ik meer ontspanning aan. Het is losser van taal.'
In het thrillerachtige Dit zijn de namen ontmoeten twee verhaallijnen elkaar, die van rechercheur Pontus Bek en die van een groep vluchtelingen die over de steppe dwaalt en met een afgehouwen mensenhoofd op zak strandt in een stad. De Libris-jury roemt de twee explosieve thema's die het boek aanraakt: godsdienst en migratie.
Vlak voor de presentatie van het boek twijfelde Wieringa er even aan of zijn roman wel begrepen zou worden: 'Het is een redelijk complex verhaal met filosofische diepgang, zoekend naar de oorsprong van de menselijkheid, namelijk hoe het komt dat de mens gaat geloven. De tijd is er misschien niet ernstig genoeg voor, zo vreesde ik. Alles is immers gericht op de vermaakindustrie en het gemak voor de consumerende, spelende mens. De diepte wordt tegenwoordig geschuwd.' Maar er is een tegenbeweging gaande, onder andere hier in De Morgen. In die nieuwe stroom past deze roman precies en wellicht is de bekroning van Dit zijn de namen dan ook te beschouwen als een statement van de jury om tegen de keer in grote vragen te durven stellen, die de mens boven zichzelf uit tilt.

De mannelijke smaak
Bij de uitreiking van de Libris Literatuur Prijs 2013 werd een klein pamflet uitgedeeld. Daaruit blijkt dat vrouwelijke auteurs dan misschien wel evenredig aan het aantal inzendingen op de longlist komen te staan, maar de shortlist halen ze zelden, laat staan een bekroning met de prijs. In het 20-jarig bestaan van de Libris Literatuurprijs ging deze slechts twee keer naar een schrijfster. Dat heeft niets van doen met de sekse van de juryleden, maar alles met de gevormde canon.
Hoe ontstaat literaire smaak? Ingegoten via de paplepel van door mannen geschreven sprookjes tot de aversie van hoogleraren tegen het werk van Hella Haasse, waardoor over dit icoon lange tijd geen colleges werden gegeven, terwijl Mulisch, Hermans, Wolkers, Reve allemaal op afzonderlijke collegereeksen konden rekenen.
Volgens Wieringa doet het geslacht er niet toe bij de beoordeling, maar dat is toch echt een vergissing. De sekse doet er al toe vanaf het moment dat het eerste echte Literaire werk wordt gelezen en de smaak wordt gevormd. Het is al zoveel vaker gezegd: vrouwen zijn getraind in het lezen van boeken van schrijvers, mannen niet in het lezen van boeken van schrijfsters. Mannelijke thema's, structuren en stijl vormen de basis van de canon, een canon waar Wieringa zich inmiddels ook toe mag rekenenen.

Loopt Aharon Appelfeld straks weg met 60.000 Engelse ponden, of Lydia Davis? Of een van de andere acht genomineerden?


En het werd Lydia Davis!!

(het was hard werken (met dank aan de uitgeverijen voor het beschikbaar stellen van de boeken), maar een groot genot kennis te mogen maken met deze tien enorme oeuvres die genomineerd zijn voor de Man Booker International Prize)

Gepubliceerd in De Morgen, 8 mei 2013




Op 22 mei wordt de winnaar van de vijfde Man Booker International Prize bekendgemaakt. Deze prestigieuze oeuvreprijs gaat sinds 2005 tweejaarlijks naar een levende schrijver die onafgebroken werelds werk publiceert dat in het Engels beschikbaar is, en staat voor 60.000 pond, plus 15.000 pond voor een vertaler. De tien genomineerden vallen op door hun politiek engagement, hun kale stijl en hun humor, maar wie zijn zij en hoeveel kans maken zij op de MBIP?
De Zuid-Indiase Udupi Rajagopalacharya Ananthamurthy (1932) is een ruimhartige mensenvriend die de psychologische gevolgen ontleedt van het traditionele kastensysteem in het veranderende India. Bijna kafkaësk ontkracht hij de mythe van sociale rechtvaardigheid.
Ananthamurthy is een zwaargewicht in Zuid-Azië, alleen al als politicus en universitair docent. Onvermoeid maakt hij zich groot voor zijn moedertaal het Kannada. Zijn laatste roman, Bharatipura, prijkte op de shortlist van de DSC Prize for South Asian Literature, maar helaas is geen enkel boek van hem in het Nederlands vertaald.
Exemplarisch voor zijn thematiek is het verhaal The Grasshopper. Daarin krijgt luiwammes Venkata niet veel voor elkaar, wat hem op verwijten van zijn gezin komt te staan. Maar hij is relatief gelukkig. Als een sprinkhaan ziet hij op het naïeve af het kleine, dat daardoor schittert. Moet je wel blind sociale codes willen aannemen, is de centrale vraag.In een reactie deelt Ananthamurthy de eer van de nominatie graag met alle geweldig schrijvende auteurs in het Indiase taalgebied. Hij greep direct de gelegenheid aan om twee wereldklasse Hindu-schrijvers te bewieroken, die niemand kent omdat hun werk onvertaald bleef. Alleen al vanwege deze sympathieke reactie verdient hij de MBIP.80 % kansDe in Roemenië geboren Israëliër Aharon Appelfeld (1932) is de gedoodverfde winnaar van de MBIP. Hij is als geen ander in staat om verfijnd de complexe verwarring op te tekenen van vijandelijkheid en vriendelijkheid tijdens de Jodenvervolging in Midden-Europa. Op steeds nieuwe wijze bewandelt hij steeds hetzelfde pad: dat van een kind dat meegaand maar alert moet zijn en hoewel het vragen stelt, nooit helemaal doorgrondt wat er aan de hand is. Daardoor is Appelfeld de schrijver van één groot boek.
Zonder oordeel verplaatst hij zich in de jonge geest, waarbij het vanzelfsprekende vertrouwen in de mensheid afbrokkelt en een kind plotsklaps volwassen wordt, zonder cynisme. Het breekbare van zijn hoofdpersonen, dat voortkomt uit ongeloof en tedere lijdzaamheid, blijft heel. Zijn romans zijn daardoor beklemmend tragisch, en tegelijk licht. Zelfs al welt er overlevingsdrang in de personages op, zij aanvaarden in verwondering het lot. Het werk van Appelfeld draait dan ook meer om het lichamelijke dan om de taal, die eerder obstakel is. In het oeuvre van Appelfeld is het zoals in Bloemen der duisternis staat: ‘luisteren naar het zwijgen tussen de woorden’.De eerdere MBIP-winnaar Philip Roth heeft Appelfeld hoog zitten en noemt hem een onthechte schrijver van ontwortelde fictie.99 % kans(uitgeverij Ambo)De Amerikaanse Lydia Davis (1947) is een vlijmscherp observerend schraper en een writer’s writer, die inmiddels door het grote publiek omarmd is. Ondanks dat ze van alle genomineerden bijna de minste pagina’s publiceerde (Collected Short Stories en een roman) zit zij dus geramd, zou je denken. Maar zou het met zo’n diverse lijst niet jammer zijn wanneer een bekende wint?Edoch, haar kortverhalen zijn van werelds niveau. Dit jaar viel een kleine prijzenregen over haar heen, nadat ze in 2007 genomineerd werd voor de National Book Award. Jonathan Franzen noemde haar de ‘magician of self-consciousness’.Haar taal is karig geworden nadat ze Proust vertaalde en diens wijdlopigheid verfoeide. Davis ontroert door afstand en intimiteit samen te brengen in een klein, verrassend, plotloos vraagstuk. Zo blaast ze lucht in de meedogenloze droefenis, en zelfs milde humor. Doordat Davis inzoomt op malende gedachten en die in een korte tijdspanne tegelijk relativeert - haar verhalen zijn soms enkele regels lang - roept ze een spectrum aan steeds intensere emoties op. En dat terwijl haar proza juist zo ‘emotieloos’, of kaal lijkt, ondanks het mededogen zo geobserveerd van buiten. Maar ze raakt ieders hart met dat wat tussen de woorden schuilt, omdat het troost te weten dat mensen elkaar niet verstaan.90 % kans(uitgeverij Atlas)De Pakistaan Intizar Husain (1925) is een chroniqueur van de verandering met zijn nostalgische, modernistische epiek. Het is de schuld van Husain dat Nadeem Aslam, van wie zojuist een nieuw boek verscheen, verslaafd raakte aan literatuur. Het uiteenvallen van India blijft het grote raadsel voor Husain, die tevens journalist is.Hij publiceerde over dit thema vijf romans en zeven verhalenbundels (niets vertaald in het Nederlands). In het Engels is onder meer de klassieker Basti verschenen. Hierin zoomt Husain in op het uiteenscheuren van Bangladesh en Pakistan in 1971. Hoofdpersoon Zakir kijkt als de luitenant uit de Kartuize van Parma van Stendhal verdwaasd, hoopvol en daardoor eenzaam rond, zelfs als hij in een vlechtwerk de uiteenlopende visies van hindoes, boeddhisten en moslims verneemt.Husain is een fervent voorvechter van zijn moedertaal het Urdu. Toch is taal ondergeschikt aan het verhaal, waardoor zijn werk uitgepuurd is. De vorm is wel belangrijk: Husain’s zinnen golven. Alsof hij een gebeurtenis steeds oppakt en betast, herhaling op herhaling stapelend. Dat werkt hypnotiserend. ‘Winkels zijn deels gesloten, deels open.’ Dit is waar, en dat. Met zulk politiek gevoed impressionisme gooit Husain ongetwijfeld hoge ogen, al is het maar omdat het zo verantwoord is.65 % kansDe Chinees Yan Lianke (1958) is een ‘oplichter’, die stroop om de monden van zijn personages smeert, maar ondertussen de spot drijft met het gezag. In zijn weelderige en lieflijk meanderende zinnen schuilt zoveel overdrijving dat Lianke duidelijk een spel speelt. De dagelijkse Chinese werkelijkheid is in Yan’s ogen evengoed een opeenstapeling van absurditeiten, met corruptie en onverschrokken landonteigeningen en huisontruimingen.Twee van zijn romans waren tijdelijk verboden, meer vanwege majesteitschennis dan vanwege de politieke lading. In Dien het volk bewijst een overspelig stel elkaar de liefde door revolutionaire memorabilia te vernietigen, zoals de buste van Mao. Het verboden Dream of Ding Village haalde de shortlist van de Man Asian Prize.Yan schrijft, zeker in vergelijking tot de andere genomineerden, sterk evocerend. Het gekras van cicaden, ‘krachtig en melodieus als marsliederen’. Hij vult veel in, gebruikt veel couleur locale en verzet zich alleen al met zijn stijl tegen de soberte van de partij.Of hij kans maakt, is zeer de vraag. Hij behoort niet tot de top 3 van China (Mo Yan, Yu Hua en de eerder voor de MBIP genomineerde Su Tong) en zijn stijl wordt zo zoetsappig (wat heel lollig is) dat het de vraag is of hij daarmee voldoende gewicht in de schaal legt.45 % kans(uitgeverij Podium)De Franse in Duitsland wonende Marie NDiaye (1967) is een vriendelijk betoverende ‘heks’, die de lezers met overtuigend realisme haar web in lokt, waarna het sprookjesachtige al gauw gewoontjes aan het lijf plakt. Geen literaire experimenten, maar serieuze, zorgelijke ontsporing in dit nette proza.NDiaye ontving de Prix Femina en zowel de Prix Goncourt als de eerste Europese Literatuurprijs voor haar roman Drie sterke vrouwen, over drie landverhuizers. Dit boek is steviger dan haar overige werk verankerd in de realiteit. Toch komen er mysterieuze vogels in voor, zoals in Heksenschool. In die roman staan ze voor de heksendochters van de verteller, een zogenaamde ‘nepheks’ die zich in de nesten werkt. Vogels symboliseren zowel vrijheid als dreiging en dat dualisme ruist door heel dit oeuvre. Vaak draait het om ontaarde ouders, families bulken van de geheimen en problemen. Tegenover onderdrukking en uitbuiting plaatst NDiaye wilskracht en waardigheid.Toch zet NDiaye in haar proza maar weinig op het spel. Het is te soepel, te Desperate Housewives met een toverachtig sausje. Echter, jurylid Aminatta Forna schrijft soortgelijke literatuur. Dus wie weet, keren daarmee NDiaye’s kansen.50 % kans(uitgeverij De Geus)De in Kroatië geboren Canadees Josip Novakovich (1956) is een grenzenzoeker die uitblinkt in het donkere, intelligent humoristische kortverhaal waarin verzoening wordt gezocht. Breekbare onderwerpen zijn goed af in zijn handen. Zo denkt een naar Amerika gevluchte vrouw terug aan een aanranding tijdens de Joegoslavische oorlog, ontmoet een Kroaat, droomt over de aanranding, waarna opeens een wreed-erotisch licht over de man valt. Het is geen genoegdoening of wraak, maar milde verwarring en acceptatie, zonder dat de hoofdpersoon hieronder lijdt.Novakovichs stijl is uit steen gehakt. Onderkoeld en onderzoekend graaft hij met zijn zinnen de diepte in. Zoals in April Fools Day Ivan over de Servische regen opmerkt dat die ruikt naar giftige paddenstoelen en oude bladeren, niet alleen bladeren die zojuist door de lucht zigzagden, maar ook de bladeren die vorig jaar vielen, en duizend jaar geleden. Verder is deze roman opmerkelijk absurdistisch en tragikomisch (vader komt uit de oorlog met zijn arm en been in een aardappelzak). Welke kant te kiezen: Servië, KGB, CIA, alcoholisme?Kirkus Review noemde Novakovich de beste Amerikaanse kortverhalenschrijver van dit decennium. Zijn verhalen zijn inderdaad elegant en empathisch. De Britse traditie van het kortverhaal indachtig, maakt hij daardoor flinke kans, al moet hij opboksen tegen de betere Davis.
65 % kansDe Amerikaanse Marilynne Robinson (1943) is een topdocent die traditioneel, essayistisch proza schrijft over ongemakkelijke huiselijkheid en religieus levensbesef en bovendien is ze een geluksvogel: hoewel ze met drie romans de minste literaire titels publiceerde van alle genomineerden, staat ze voor de tweede keer op de shortlist.Barack Obama las haar roman Gilead, waarvoor ze de Pullitzer Prize kreeg, Thuis werd genomineerd voor de National Book Award en kreeg de Orange Prize toegekend. Robinson schrijft literatuur volgens het boekje van de critici. Ze snijdt morele dilemma’s aan over ras, religie en gezin, terwijl ze Bijbelse verwijzingen verknoopt met verwijzingen naar de wereldliteratuur. Zo knipoogt haar debuut over twee weeskinderen naar Moby Dick en de zondvloed om het thema te benadrukken dat alleen het voorbijgaande blijvend is.Robinsons werk is contemplatief, vriendelijk en beschouwend. Neem een zin als deze uit Gilead: ‘Een man kan zijn vader kennen, of zijn zoon, en toch kan er tussen hen niets anders zijn dan genegenheid en liefde en wederzijds onbegrip.’ Paf, vergeefse moeite, zo toont de rechtschapen, moralistische predikant in de memoires die hij zijn zevenjarige zoontje nalaat.Twee keer genomineerd en de prijs niet krijgen? Dat zou kras zijn. Maar het zijn geen critici die de jury bevolken, het zijn romanciers...70 % kans(uitgeverij De Arbeiderspers)De Russische Vladimir Sorokin (1955) is de provocateur van de lijst, hij kwispelstaart energiek en speelt met postmodernistische vormen in realistisch, ironisch proza waarin hij steevast de politieke kopstukken uitdaagt. Niets is hem heilig. Vandaar dat zijn werk tot de perestrojka in Duitsland moest verschijnen. In 2005 probeerde de jeugdbeweging van Poetin Sorokin nog voor de rechter te slepen omdat in een van zijn romans de bejaarde Chroetsjov en Stalin seks met elkaar bedreven. Daarmee zou Sorokin het politieke establishment besmeurd hebben met porno. De klacht werd ongegrond verklaard.Welbekend is zijn novelle De rij, waarin hij enkel met dialogen de befaamde Russische rij voor de winkel bespot. Het absurdisme is in zijn werk nooit ver. Met zijn satire IJs, waarin het hedendaagse Moskou is bevolkt met verdorven vleesmachines die enkel moorden, paren en baren en waarin goed en kwaad willekeurig rouleren in een geheimzinnige sekte, haalde hij de shortlist van de Russische Booker Prize. Iemand met een ijshamer op het borstbeen slaan tot de splinters eraf vliegen; ach, tamelijk gewoon toch? Sorokin vermengt in deze roman Sovjet-kitsch met stijlelementen uit de sf en detective. Hij bespeelt eigenlijk alle registers en ontspoort daardoor een beetje. Waar hem te plaatsen? Bij het hoofdstukje vrolijk, maar serieus geëngageerd doch ongeleid projectiel?30 % kans(uitgeverij Ambo)De Zwitser Peter Stamm (1963) is een neerslachtige realist, die zonder gepsychologiseer de perversiteit en sluimerende leegte van de mens inzichtelijk maakt. Elf romans en verhalenbundels staan op Stamm’s naam, die ook toneel schrijft en net als Husain journalist is. Deze zomer verschijnt Sieben Jahre in het Nederlands. De Engelse publicatie hiervan werd direct door Zadie Smith gespot. Zij oordeelde dat dit verhaal over overspel van een gewetenloze, liefdeloze man je laat twijfelen over je vooringenomenheid.Stamms personages zijn ontaarde kosmopolieten. Kathrine is douanebeambte in Noorwegen, en beproeft in Parijs met een Deen haar kansen. In Agnes leert een Zwitser in Chicago een studente kennen. Andreas is een leraar Duits in Parijs. De verteller uit Sieben Jahre werkt als architect in Duitsland en gaat vreemd met een lelijke Poolse. Steeds draait het om het bezweren van bindingsangst, het egoïstisch achterlaten van een ander, om absentie en hoeveel geluk daarin schuilt.Stamms fictie doet Scandinavisch aan, als een gestripte Grøndahl, maar raakte met de jaren steeds meer uitgebeten. Geen krullen, enkel de kille biecht. Zijn nominatie is waarschijnlijk te danken aan jurylid Tim Parks, die Stamm vorig jaar in een artikel noemde. Parks zal zich sterk moeten maken, want dit proza schiet bij wijlen zijn doel voorbij in afstandelijkheid.
25 % kans

(uitgeverij De Geus en uitgeverij De Arbeiderspers)

Waarom Taiye Selasi de nieuwe Virginia Woolf is

Recensie in De Morgen van 8 mei 2013


Terwijl het de normaalste zaak van de wereld zou moeten zijn dat een auteur zijn vak verstaat en zich met grote compassie in totaal uiteenlopende figuren verplaatst, is het toch steeds een wonder wanneer dit daadwerkelijk gebeurt. Het komt zo zelden voor dat een veelstemmige roman de onmacht van het bestaan verbeeldt door het kleine, particuliere te verbinden met het grote, historische en universele. Wanneer een debuut deze reikwijdte bezit, mag de vlag uit.

Nou, haal die vlag maar meteen tevoorschijn. Die mag wapperen voor de Britse Taiye Selasi (1979). In haar debuutroman Ghana Must Go weet ze leven te blazen in zes personages; een vader, een moeder, een zoon, een tweeling en een dochter. Ze meandert vrijelijk van het ene naar het andere perspectief, waardoor als in een caleidoscoop de veelkleurigheid van deze welgestelde familie zichtbaar wordt.

Haar debuut is in drie delen opgedeeld. In het eerste zijn we getuige van het overlijden van de vader, een vijftiger die zijn voet op de drempel zet om de tuin in te lopen. Steeds verstilt Selasi het beeld om een mijmering in te lassen en maken we kennis met zijn kroost, die nog onwetend is. Dat heeft een filmisch effect. Hoewel we sympathie voor de selfmade Ghanees Kweku opvatten omdat hij een gerespecteerd chirurg is in Boston, verstandig en stoer, is hij in feite een bangerik die benadeeld werd door rauw racisme. Slachtoffer van de macht in het ziekenhuis waar hij werkt - hij is niet in staat een hooggeplaatst figuur te redden met zijn magische chirurgenvingers - verlaat hij impulsief vrouw en kinderen. Als hij met hangende pootjes bij zijn gezin wil terugkeren, is zijn kans verkeken en valt alles uit elkaar. Hoewel hij inmiddels een lieve, eenvoudige vrouw trouwde, betreurt hij zijn beslissing later nog steeds. Al zal niemand dat weten.

In het tweede deel gaan Kweku’s kinderen op weg nadat de boodschap van vaders dood hard is aangekomen: een gezonde arts die niet handelt wanneer hij de eerste tekenen van een hartaanval voelt? Kom nou! We zien hoe de volwassen kinderen stoeien met deze vraag en tegelijk met hun bestaan: hoezeer zij getekend zijn door de plotselinge verdwijning van hun vader. Dit had verstrekkende gevolgen. De tweeling werd bij een perfide halfbroer in Nigeria geplaatst en draagt sindsdien een duister geheim met zich mee. Dat wordt ontbloot in het derde deel, wanneer de kinderen bij hun moeder in Accra, Ghana, samenkomen voor de afscheidsdienst. Familiale ergernissen en ongemakkelijkheden borrelen boven, wat het onvermogen elkaar te naderen nog eens bevestigt.

Gewoon een verhaal, maar wat maakt het zo goed dat Selasi op de fameuze Granta List staat als veelbelovend schrijver? De immense droefheid, het ‘krachtveld van verdriet’? Beslist, maar hoe wekt Selasi dat op? Met haar stijl en vorm; die maken van haar een auteur van wereldformaat. Door de filosofische overpeinzingen is Selasi wel vergeleken met Zadie Smith, maar in mijn ogen is haar werk beter naast dat van Virginia Woolf te leggen. Het heeft dezelfde grandeur en diepgang. Net als Woolf zoomt Selasi in op een gedachte, op klein leed of een gedetailleerde gebeurtenis, om vervolgens uit te zoomen naar een groter beeld, zodat het particuliere een plek krijgt in iets veelomvattends. Dat ontroert en troost, omdat het detail er toe blijkt te doen. Het is allesbepalend. Het maakt uniek en geeft een leven zin.

En net als Woolf legt Selasi haar vinger op zere momenten, die essentieel zijn in een leven, waar een mens altijd naar terug zal keren: toen, daar ging het mis. Toen, daar, zei ik - onnozele - het verkeerde en ik kon niet anders. Meestal zijn die momenten als bij Woolf verankerd in de natuur, ‘de onbewuste basis van alles’, die eeuwig zal voortbestaan en waartegen het leven fragiel afsteekt. Waarom wilde Kweku toch altijd die mangoboom weg hebben? De boom waarbij hij nu zal sterven?

Terwijl de personages er zelf nog naar gissen, behoudt de auteur het overzicht. Ze  beschikt over een groot contemplatief vermogen en een enorm psychologisch inzicht. Vol tederheid confronteert ze haar personages met het onafwendbare. ‘In de toekomst, als ze volwassen is, zal ze, als ze diezelfde ijlheid voelt, als ze voelt dat haar hele wezen ontsnapt als adem, ernaar verlangen om aan te raken en te worden aangeraakt, om contact te maken.’

In de ruimte van wat niet gezegd wordt - de gebaren, geur, een oogopslag - schuilt het onmachtige streven naar nabijheid. Dat maakt het proza van Selasi ook uiterst fysiek. Het gaat wederom net als bij Woolf eerder om de lucht die in beweging komt wanneer iemand langsloopt, dan om de uitgesproken woorden.

Selasi gebruikt daarvoor een heldere woordenschat. Hier en daar een trefzekere, originele metafoor, al is Selasi beslist niet zo kwistig als Woolf. Het is een suggestief aanstippend proza: ‘Afgedragen slippers die je zo even aanschoot, bruin, met versleten zolen. Net huisdieren met verlatingsangst, trouw, zijn hondjes.’ Er blijft voldoende voor de lezer aan te vullen, het is niet uitgekauwd en kent een bezwerende ritmiek die aan poëzie doet denken.

Naast alle evocerende kracht die Selasi toont, is er nog iets anders met dit debuut aan de hand. Iets gevaarlijks, want het plaatst Selasi in een hokje waarin zij  - met reden - niet terecht wil komen. Selasi is geboren in Londen, als kind van een Ghanese vader en een Schotse, Nigeriaanse moeder, en bracht haar jeugd door in de hogere kringen van Brookline. Het is bijna beledigend het over haar achtergrond te hebben, net zoals het dat bij Marie NDiaye is. Selasi muntte voor de nieuwe generatie daarom de term Afropolitan: een kosmopoliet met Afrikaanse wortels. Maar doet het ertoe wat ze is?

Oké, eerste en laatste deel van de roman spelen in Ghana en Selasi verwerkt slang en generaliserende grapjes over Nigerianen en Ghanezen en zelfs over het gedrag van stammen. Maar de vader had in ieder willekeurig land uit armoede kunnen opklimmen, en er zijn meer landen waar burgeroorlog woedt. Met de titel ontsnapt Selasi bovendien aan de clichés. Ghana Must Go verwijst ironisch naar de eenvoudige geblokte plastic tassen waarin Ghanese arbeiders hun hele hebben en houden stopten toen ze noodgedwongen Nigeria verlieten. Louis Vuitton maakte er een fashion item van, te koop voor 1400 £. Oftewel: wat nou, nostalgisch Afrikaans, is iedereen tegenwoordig niet cultureel hybride? Is het niet hip?

Taiye Selasi (vert. Auke Leistra), Ghana ga weg, Atlas Contact, 336 blz., 19,95 €
5 bollen