vrijdag 13 maart 2015

naar aanleiding van de studie van Sander Bax en het Alfabeticum van Atte Jongstra 
een artikel over het belang van de oude wijsgeer Pythagoras


DOOR FLEUR SPEET

ARTIKEL IN EEN DOOS GEVONDEN 

geschreven in 1995: 20 jaar geleden

De ontrafeling van een getal

Pythagoras in De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch




Het is algemeen bekend dat Harry Mulisch een speciale relatie had met getallen. Zo heeft Mulisch De ontdekking van de hemel precies opgedeeld in vijfenzestig hoofdstukken. Vijfenzestig jaar is exact de leeftijd die hij zou bereiken toen dit boek uitkwam. Omdat Mulisch'’ vader op deze leeftijd het leven liet, is dit getal voor Mulisch door een mystieke zweem omgeven. Er zijn wel meer getallen die voor Mulisch een magische aantrekkingskracht hebben. De getallen waar ik op doel hebben niets met autobiografische gegevens te maken, het zijn getallen uit de filosofie.

Aritmetica

Het ‘getal’ dat het meest opvalt in De ontdekking van de hemel, is de tetractys. Het is namelijk een heel uniek en specifiek herkenningsteken van een bepaalde filosofie. De tetractys is dé vorm uit de filosofie van Pythagoras, een filosoof uit de zesde eeuw voor Christus die een sekte oprichtte. De uit tien steentjes of punten bestaande driehoek is volgens de pythagoreërs de scheppende en harmoniërende kracht in de kosmos. Uit deze vorm komt al het leven voort. Terwijl bijvoorbeeld Thales van Milete als oerbeginsel van de kosmos het water aanwees, beweerde Pythagoras dat de getallen de archè van de wereld waren. ‘'Het wijst is het getal’' was een van zijn levenswijsheden. De wereld was getalsmatig geordend. Wilde je daarom weet hebben van de wereld, dan was het zaak weet te hebben van de getallen. De tetractys was het centrale ‘getal’ van de filosofie van Pythagoras omdat de stellingen uit de vier wetenschappen die binnen de pythagorische sekte werden beoefend (het quadrivium) er in opgesloten zaten. De basis van die wetenschappen was de aritmetica, de getallenleer.












Vier
In die aritmetica waren twee getallen bijzonder belangrijk: de Vier en de Tien. Beide getallen zijn verbonden met de tetractys. Een deel van het woord tetractys verwijst al naar de Vier, tetra betekent immers zoiets als viervoud. Uit de afbeelding van de centrale vorm is duidelijk af te leiden waarom de Vier in de benaming zit verweven: hoe de driehoek ook gekanteld en gedraaid wordt, telkens blijven er vier lagen van punten. Bovendien bestaan de zijden van de tetractys ook altijd uit vier punten: dat is de grens van de vorm. Het zal daarom geen verwondering wekken dat het getal Vier en de tetractys in de pythagorische leer vaak aan elkaar gelijk werden gesteld. Zo is volgens de overlevering de gelofte waarmee men zich tot het pythagorisme bekeerde als volgt:

I swear by him who has transmitted to our minds the sacred four,
the roots source of ever-flowing nature.

Uit deze spreuk blijkt dat de ‘heilige Vier’ de wortels bevat van de organische natuur; van micro- en macrokosmos. De Vier is de basis van al het leven dat op deze aarde was, is en zal zijn. Daarmee hangt de idee samen dat in het getal Vier het evenwicht van de wereld zit verscholen: een ervaringsfeit van het leven dat aan dit getal werd gekoppeld. De Vier garandeert daarom de harmonie van het geheel.

Tien
Het getal Tien heeft in de getallenleer ook een buitengewone betekenis. Wanneer de punten van de tetractys worden opgeteld (1 + 2 + 3 + 4) levert dat 10 als som op. In z’'n geheel was de vorm daarom indirect gelijk aan de tien punten en dus aan het getal Tien. Omdat uit de tetractys de harmonische wereld was voortgekomen, werd de Tien het meest volmaakte getal, de creator van de kosmos genoemd: de tetractys in z’'n totaliteit.

De tetractys bij Mulisch

Vanwaar nu deze uitweiding over de Vier en de Tien? Juist deze getallen zijn in combinatie met de tetractys van belang in De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch. De doctrine van de tetractys is in eerste instantie een kosmologie, een ‘ontstaans-geschiedenis’ van de kosmos. Op eenzelfde manier heeft Mulisch een kosmologie geschreven met zijn roman De ontdekking van de hemel. Dat dat iets heeft uit te staan met Pythagoras is geen toeval. Toeval bestaat immers niet in de filosofie van Mulisch.

Mulisch' basis
In juni 1949 krabbelde Mulisch een taal-cijfersysteem op een vel papier. In het midden van dat vel prijkt de tetractys: de magische, scheppende kracht. In hetzelfde jaar en misschien wel op hetzelfde moment 'ontdekte' Mulisch de paradox. Veel later, in 1980, heeft Mulisch zijn ideeën over de paradox uiteengezet in De compositie van de wereld. Deze  filosofie, die het ontstaan en vergaan van de wereld, zelfs van de kosmos tracht uit te leggen, is gebaseerd op de filosofie van Pythagoras en komt ook weer bij die filosofie uit. Bovendien is het boek indirect opgedragen aan Pythagoras.
Pythagoras beschreef de octaafklank, een paradoxale muzikale verhouding, in wiskundige eenheden. Volgens hem verhielden een toon en zijn octaaftoon zich tot elkaar als 2:1, een verhouding die uit de tetractys is af te leiden. Wanneer je een snaar hebt en je op zoek bent naar de octaaftoon, leg je de vinger op het midden van de snaar. Dat is het begin van de filosofie van Mulisch. Het is tegelijk een handeling die de held van De ontdekking van de hemel, Quinten Quist, letterlijk zo uitvoert.
Mulisch beïndigt zijn compositie van de wereld met het ‘Pythagorasheelal’, omdat het puntheelal (de Big Bang) in feite een hommage is ‘aan de kosmogonie van de pythagoreërs, voor wie de kosmos uit het getal 1 is voortgekomen’.
Maar het gaat hier in eerste instantie niet om de zeer complexe materie van de muziekleer en de astronomie. Getallen op zichzelf zijn al ingewikkeld genoeg. Wat ik met dit uitstapje heb willen aantonen, is dat er grond is voor een Pythagoras-onderzoek in De ontdekking van de hemel, ook en misschien wel des te meer als het om getallen en hun symboliek gaat.

Stoute Max: zijn ontdekking
Als we dan kijken naar de roman valt op dat de tetractys maar liefst twee keer wordt afgebeeld, op twee essentiële momenten in de roman. Bij een van de afbeeldingen, die in de doorlopende tekst is geplaatst als een vet uitroepteken, krijgt een van de hoofdpersonen een meteoriet naar zijn hoofd geslingerd nadat hij allerlei ontdekkingen heeft gedaan waarin het quadrivium - getallen, geometrie, muziek en astronomie  - samenkomen. Het is een beslissend moment, want het personage waar het in deze roman allemaal om draait, de al eerder genoemde Quinten Quist, besluit daarna om de wijde wereld in te trekken, maar daarover later meer. Eerst Max, de astronoom die de hemel tracht te ontdekken.
J.A.Dautzenberg wees al eens op de verwantschap van de kosmologie die Max Delius op dat moment aan het uitdenken is en de eeuwenoude filosofie van Pythagoras waaruit de tiendimensionale supersnaartheorie is voortgekomen. Die astronomie en kosmologie zijn echter in de eerste plaats gebaseerd op de aritmetica, op de mystieke getallenleer. Door de scheppende kracht van de tetractys en de getallen Vier en Tien, heeft de kosmos volgens de pythagoreërs kunnen ontstaan. Dat getallen de oorsprong zijn van de kosmos, is voor Max geen vreemde gedachte. Zo denkt hij het volgende:

‘Alle dingen zijn getallen’ had Pythagoras gezegd. 10 was voor hem het heilige getal, dat je op je vingers kon natellen [...]. 10 was ‘de moeder van het universum’, en uit lang vervlogen jongenslectuur herinnerde hij zich opeens Pythagoras’ mystieke tetractys, de viervuldigheid, de symbolische uitbeelding van de spreuk ‘Een, twee, drie, vier’, waarmee zijn volgelingen de eed aflegden.

Volgens Mulisch kan Pythagoras echter nooit zoiets gezegd hebben als ‘'Alle dingen zijn getallen’'. Tenminste, niet als daarmee bedoeld wordt dat de dingen vooraf gaan aan de getallen en de getallen dus gebaseerd zijn op zintuiglijke waarneming. In De compositie van de wereld zegt Mulisch namelijk het volgende over het ontstaan van de natuurwetenschappen en de rol van Pythagoras daarin:

Pythagoras' ontdekking dat bij de harmonische intervallen octaaf, kwint en kwart de snaarlengten zich verhouden als 2:1, 3:2 en 4:3, was een kwantitatieve, empirische vaststelling, verkregen door experimenten met het monochord. Alleen door deze combinatie van de wiskunde met waarneming en experiment kon de natuurwetenschap ontstaan. Maar al kort na hem raakte de empirie weer op de achtergrond en ging het abstract-mathematische een eigen leven leiden. ‘Alle dingen zijn getallen,’ zeiden de pythagoreërs toen. Men hoeft maar een modern natuurwetenschappelijk boek op te slaan om te zien, hoe juist die opvatting in zekere zin is, maar zo bedoelden zij het niet meer.

In de roman dicht Mulisch dus een uitspraak toe aan de sekteleider die uit de koker van zijn opvolgers komt. Dat verschil tussen de filosoof en zijn volgelingen is essentieel in De compositie van de wereld. De pythagoreërs zijn in de ogen van Mulisch geen natuurwetenschappers, maar mystici, omdat zij de dingen aan de getallen vooraf lieten gaan. In De ontdekking van de hemel treedt dus verdichting op: het manipuleren van de feiten om een fictionele, samenhangende wereld te creëren. Door Pythagoras te laten zeggen dat alle dingen getallen zijn, legt Mulisch in zijn roman een relatie tussen de getallen en de filosoof. Die relatie maakt specifieke, pythagorische getallen belangrijk en mythisch in het verhaal, er wordt zo een samenhangende betekenis aan die getallen toegekend. De Tien is daar het mooiste voorbeeld van.
De notie van Max dat de Tien op de vingers is na te tellen is afkomstig van Plutarchus, die zo het belang van de Tien in de pythagorische filosofie trachtte te verklaren. Het is een latere toedichting, men wist immers in Babylonië al dat onze vingers de handigste, meest eenvoudige rekenmachine zijn, altijd op zak.
Dat Mulisch de Tien de ‘moeder van het universum’ noemt is volledig aan zijn eigen fantasie ontsproten. Nergens in de bronnen is zo’'n aanduiding te vinden, maar in de roman krijgt de Tien op deze manier als symbool een bijzondere, zo niet de centrale plaats toebedeeld. Max denkt namelijk nog geen twee minuten later aan die vrouw in het universum:

Wie was die verdraaide man? Hijzelf, zoals hij door het verschijnpunt in de negatieve ruimte-tijd aan gene zijde van de Big Bang keek? God? Of was het misschien een vrouw? Was het Ada, met in haar buik het gezwel, dat de plaats van Quinten had ingenomen? Of was het zijn eigen moeder, met hem in de hare? De moeder van het universum... Ada en Eva... vrouwen... alleen vrouwen...

Vrouwen brengen heel zichtbaar leven voort. Vrouwen creëren het leven, de natuur en hebben dus een scheppingskracht die vergelijkbaar is met de tetractys en daarom ook met het getal Tien. Moeders, muziek, het ontstaan van de wereld en getallen, daar is een web van gesponnen dat deze roman z’'n symboliek en z’'n samenhang verleent. Quinten is zijn hele leven op zoek naar zijn moeder (overigens net als Max), de muziek is de basis van Pythagoras'’ ontdekking: het was immers een muzikaal interval dat hij mathematisch beschreef, een interval dat in de grondvorm van de pythagorische filosofie zit verankerd, terwijl diezelfde vorm en die muziek de schepping van de harmonieuze wereld hebben veroorzaakt. Deze rode lijnen van het schrijversweb wijzen allemaal maar één richting uit: Pythagoras.
Wanneer Max denkt aan de eed uit de ‘lang vervlogen jongenslectuur’, is hij bezig de ontdekking te doen waar het in de roman allemaal om draait. Max ontdekt het puntheelal, ‘de Big Bang als oneindige muziek (de tegenaarde in feite)’ en dat is de belangrijkste wetenschappelijke ontmaskering van het boek. Hij ontdekt de hemel en krijgt als dank een hemelse steen op zich afgevuurd, een meteoriet die hem vervaagt tot niets meer dan stof. En juist daar plaatst Mulisch de tetractys. Als  een geheim teken, waar alle kennis in verscholen zit, geeft de tetractys het belang aan van de pythagorische filosofie in De ontdekking van de hemel. De hemel kan niet ontdekt worden zonder de ontdekking die Pythagoras deed. Is dat immers niet waar De compositie van de wereld over gaat? Mulisch bouwt zowel in zijn filosofisch epos als in zijn magnum opus De ontdekking van de hemel voort op dat wat Pythagoras met zijn Eureka heeft gevonden.
Max heeft het noodlot over zichzelf afgeroepen door in zijn hybride roes het geheim, het Pythagorasheelal, het puntheelal te ontdekken terwijl hij zich middels de gelofte aan de gemeenschap verbonden wist. Maar zijn toetreding door de spreuk ‘Een, twee, drie, vier’ is slechts van korte duur geweest. Max is er de persoon niet naar om zijn ontdekking geheim te houden. Net als de schrijver zal hij uit de school klappen, met als essentieel verschil dat Max daarvoor gestraft is en Harry Mulisch vrijuit gaat. Hij is immers de schrijver van dat alles.

Stoute Max: seks                  
In zeker opzicht kun je denken dat Max al eerder in de roman de pythagorische eed aflegde, een gelofte op een heel ander vlak, namelijk dat van de seksualiteit. Aan deze eed houdt hij zich wel. Samen met Sophia Brons, de moeder van zijn voormalige geliefde en de oma van zijn eigen kind, deelt Max een monstrueus geheim. Max gilt het vier maal uit wanneer hij in Sophia klaarkomt:

... en met een harde schreeuw barstte het spektakel, en met een tweede en een derde en een vierde schreeuw liep hij leeg in haar.

Waarom wordt er vier maal geschreeuwd? Met de pythagorsiche gelofte in gedachten, die Max zelf formuleert als de som van ‘Een, twee, drie, vier’, wordt de toetreding tot de gemeenschap vol geheimen nu feit. Die gedachte wordt versterkt doordat Max het heeft over de mogelijkheid van een tweede vrijage, dan ‘zou er ook een derde keer zijn, en een vierde’. Hier worden wederom de vier getallen genoemd. Max legt min of meer de pythagorische eed af, wat betekent dat hij vervolgens over het geheim van deze gemeenschap moet zwijgen en dat doet hij ook. Net als bij de gedachte aan de tetractys is ook nu het pythagorisch gedachtengoed omgesmeed tot een literair element. De harmonie in de roman wordt versterkt doordat de verwijzing meerdere malen voorkomt. De harmonie die door dit geheim in de relatie ontstaat heeft bovendien ook iets pythagorisch: doordat Sophia en Max dit seksueel verbond hebben gesloten zijn zij bereid het voogdijschap van Quinten op zich te nemen. Alleen zo kon Quinten de meest harmonieuze opvoeding genieten, die hem zou voorbereiden op zijn taak.

Het geheime genootschap der pythagoreërs
Max is niet de enige die een geheim deelt. Het wemelt van de geheimen in deze roman. Zo heeft ook Quinten zijn geheim, dat van zijn lotsbestemming. De jongen toetst de muzikale getallenleer van Pythagoras aan de praktijk. Verrast stelt hij dan vast dat de A-snaar van een cello 62 centimeter lang is en met de vinger precies op de helft, op 31 centimeter, de octaaftoon te horen is. Op datzelfde moment dringt nog iets anders tot hem door:

Toen hij diezelfde as hoorde, die tegelijk niet dezelfde as was, richtte hij zich op en keek met een extatische lach om zich heen. Het was waar! Pythagoras! Plato! Hij had een klank uit het midden van de wereld opgevangen! [...] Hij wist plotseling zeker dat hij was voorbestemd voor iets ontzagwekkends - het was of hij een boodschap had gekregen, een opdracht tot iets waartoe alleen hij in staat was!

Quinten krijgt een boodschap uit het midden van de wereld. Waar ligt het midden van de wereld? In De compositie van de wereld schrijft Mulisch:

Het is dus de historische octaviteit van de mensheid, die de knoop vormt van de historische octaviteit van de wereld, - en nog preciezer: haar knoop, waarin Pythagoras aan zijn monochord [muziekinstrument] het 2:1 van de primaire harmonie ontdekte. Het moment, waarop hij mogelijkerwijs ‘Eureka!’ riep, is het exacte temporele midden van de wereld.

Uit dat muzikale en filosofische midden van de wereld krijgt Quinten dus zijn boodschap. Voor Pythagoras was het midden van de wereld gelegen in Delphi. De pythagoreërs stelden het orakel van Delphi, de omphalos ofwel de navel van de wereld, in een van hun spreuken gelijk aan de tetractys. Nóg een symbolische betekenis van deze driehoek. De navel van de wereld hangt weer samen met de navelstreng en de band met de moeder: de creator van het universum. Zo keert de ‘moeder van het universum’ terug via een muzikale omweg.
In die navel van de wereld zetelt de Pythia, de waarzegster, de voorspelster van de toekomst. Zij heeft de hoogste en meest geheime wijsheid in pacht. Ze kent kortom het wereldgeheim. De tetractys als wijste van alle getallen sluit hier dan naadloos bij aan: in het midden van de wereld is de wereldwijsheid gezeteld en wie anders dan Harry Mulisch zwaait daar de scepter? Alleen hij weet wat er in de roman gebeuren gaat. Alleen hij weet wat de opdracht van Quinten zal zijn. De wijze Pythagoras zal het hem influisteren: de getallen zullen het Quinten verklappen.

Door getallen gestuurde Quinten
Dat gebeurt wanneer Quinten de ingeving heeft gekregen om op reis te gaan, hij trekt de wijde wereld in. Als afsluiting van het hoofdstuk waarin hij dat aan zijn oma kenbaar maakt, staat wederom een tetractys afgebeeld. Heeft Quinten nu de zegen van Pythagoras? Heeft hij soms net als zijn vader de gelofte afgelegd dat hij van de kennis zal proeven maar deze niet zal verspreiden? Quinten zal inderdaad zwijgen zoals het een pythagoreër betaamt. Niemand heeft weet van zijn eigenlijke opdracht (behalve natuurlijk Pythagoras annex Mulsich zelf). De jongen wordt voortgestuwd door de wilskracht van de filosoof-schrijver die hier aan het werk is. Nu is het moment gekomen dat de zoektocht naar kennis kan beginnen, Pythagoras had juist dit voor hem in petto.

Ada als Pythia: het orakel van Quinten

Boven de afgebeelde tetractys staat als titel ‘Uit de diepte’. Het zijn woorden die al eerder in de roman op een aparte pagina voorkwamen. Toen waren daaronder tien op het eerste gezicht willekeurig verspreide punten te onderscheiden. F.C. de Rover heeft daar het sterrenbeeld Tweelingen in ontdekt, het sterrenbeeld van Quinten. De woorden die in groepjes over de pagina zijn verspreid hebben allemaal met de moeder te maken. Door de tien punten wordt bovendien de suggestie gewekt dat we hier te maken hebben met ‘de moeder van het universum’. De diepte zou daarom weleens het in coma verkerende geheugen van Ada kunnen zijn, waaruit orakeltaal ontspruit alsof ze de navel van de wereld is. De woorden die zij denkt slaan dan op wat zich op dat moment allemaal afspeelt: met de keizersnede wordt haar haar kind ontnomen. Het is tijd voor het kind om uit de baarmoeder te komen, er uit er uit, al is het wat aan de vroege kant, nee blijf (het kind wordt een aantal dagen te vroeg gehaald uit angst voor complicaties). In de golven is het kind verwekt, maak jezelf maar [klaar] was daar de oorzaak van, een gehavend overblijfsel van wat Max tegen Ada zei toen hij met Onno, zijn beste vriend, op stap ging en haar tijdens een vrijpartij beduusd achterliet met deze woorden. Het luidde het einde in van hun verhouding, maar kreeg een vervolg omdat het nog niet was ‘afgemaakt’. Nu zou het kunnen slaan op het kind dat zichzelf moet maken, moeder Ada is immers weinig meer dan een omhulsel waarin de jongen ‘rijpt’. Blijkbaar vraagt Ada zich af of het kind wellicht een meisje is, iets dat verwijst naar de enorme schoonheid die het kind bezit of naar de woorden van bijvoorbeeld de arts die het kind haalt. In ieder geval wordt Ada overvallen door het gevoel dat het kind moet blijven, het is het laatste leven dat ze in zich heeft. Bovendien wil ze niet verlaten worden zoals ze door Max verlaten is, wiens naam tussen al deze gedachtenflarden ook niet ontbreekt: blijf jij in godsnaam   blijf jij.  Heeft het kind de wil om zich aan de baarmoeder te onttrekken of constateert Ada dat het kind er uit wordt gehaald? In ieder geval wordt ze weer netjes dichtgenaaid en is het kind zoek: deksel dicht, waar ben je? Haar laatste aan de lezer gerichte woord is dan partituur. Welke partituur? Verwijst dit naar de muziek die Quinten uiteindelijk zal horen als hij Pythagoras’ octaafverhouding aan de werkelijkheid toetst? Een partituur moet immers tot klinken worden gebracht om muziek te zijn, aldus Mulisch. Op het moment dat Quinten de snaar van zijn moeders cello aanslaat brengt hij het muziekinstrument weer tot leven, iets waar hij zich terdege van bewust is:

Het had de vorm van een mens, met brede heupen, een taille en een bovenlichaam met schouders; aan het uiteinde van de lange hals vormden de schroevenkast en de krul een klein hoofd [...] Hij ging er naast zitten, als naast een mens, en stil bleef hij er naar kijken. Misschien was het wel meer zijn moeder dan zijn moeder nu was [...] alles bewaarde meer herinneringen aan haar dan zij aan zichzelf.

De cello wordt dus vergeleken met een vrouw en ook daaruit valt af te leiden dat door de snaren van dit instrument te bestrijken op een of andere manier contact wordt gemaakt met de moeder. Ada als de Pythia, Ada als de orakelende vrouw en als de moeder van het door Mulisch gecreëerde universum. Het lijkt er op alsof op het moment dat de volmaakte tetractys verrijst en Quinten gaat doen waar hij voor bestemt is, zijn moeder hem zijn zegen geeft. Zij zal hem leiden. Dat dat inderdaad zo is heeft te maken met de droom die Quinten al heel lang als een (pythagorisch) geheim met zich meedraagt: de droom van de Burcht. Die Burcht omsluit hem ‘in al haar zoete gelukzaligheid, warm als zijn eigen lichaam’. Wat anders dan de baarmoeder kan warm zijn als zijn eigen lichaam? Quinten zal vanaf het moment dat hij de trein in stapt op zoek gaan naar die Burcht, dat wereldgebouw, waarin zich het midden van de wereld bevindt. Hij zal het gebouw bereiken en hij treft er inderdaad zijn moeder aan.
Vlak naast de pagina waar de zegenende tetractys is afgebeeld, staat ook de aankondiging van het laatste, vierde deel van de roman ‘het einde van het einde’: de onthulling van het grote geheim, de samenballing van alle kennis die nu lijdt tot de ontrafeling, de ultieme kennis, het hoogste goed. In het laatste deel komt alle kennis samen en daarmee is de indeling van de roman tevens een ode aan het magische ‘Een, twee, drie, vier’ van Pythagoras. De harmonische kracht van de pythagorische getallen wordt door Mulisch gebruikt om een harmonisch gecomponeerde roman te schrijven en met de opbouw van de roman is daarom een gelofte gedaan aan de sekte. Een gelofte die uiteindelijk toch verbroken is. De roman is immers een feit, over het geheim is gesproken. Het lot dat hen die de eed verbreken treft, is fataal. Max mag daar het lichtende voorbeeld van zijn. Het ergste viel te vrezen voor de schrijver die het wereldgeheim verklapte: de ontdekking van de mystieke tetractys. Maar hem waren gelukkig nog heel wat jaren van leven gegund.


Literatuuropgave
Voor dit artikel werd gebruikt gemaakt van de eerste druk van De compositie van de wereld, in 1980 verschenen bij de Bezige Bij. Voorts werden citaten opgenomen uit de eerste druk (oktober 1992) van De ontdekking van de hemel, ook verschenen bij de Bezige Bij. Van het werk van Harry Mulisch werd verder nog geput uit De zuilen van Hercules en Mijn Getijdenboek, beiden eveneens uitgegeven bij de Bezige Bij.

Voor literatuur over Pythagoras, zijn aritmetica en zijn getallenmystiek verwijs ik naar onder meer W.Burkert, Weisheit und Wissenschaft: Studien zu Pythagoras, Philolaos und Platon (Nürnberg 1962), P.Gorman, Pythagoras. A life. (Routledge & Kegan Paul, London, 1979) en B.L. van der Waerden Die Pythagoreer. Religiöse Bruderschaft und Schule der Wissenschaft (Artemis Verlag, Zürich, 1979) als secunaire bronnen. Enigszins betrouwbare primaire bronnen zijn bijvoorbeeld Aristoteles, Diogenes Laërtius en Porphyrius, maar over die betrouwbaarheid verschillen de wetenschappers van mening. Wie zich in de filosofie van Pythagoras steekt, belandt in een wespennest. Iemand die daar levend uitkwam is Piet Meeuse, die onder meer schreef over Mulisch en Pythagoras in De slang die in zijn staart beet (Bezige Bij, 1987).

woensdag 27 augustus 2014

Recensie van Het Interessegebied van Martin Amis in De Morgen van 27 augustus 2014.


Stel, je begint in de nieuwe roman van Martin Amis zonder dat je de kaft en de flaptekst bekijkt. Je popelt te zeer, je wilt direct beginnen, want je weet dat Amis van iedere roman een waagstuk maakt, en dat hij een ongelooflijk vaardige, scherpe pen heeft. Hij is altijd geestig en tegelijk droefserieus. Zoals in zijn roman over zijn zus die anorexia kreeg, De zwangere weduwe. Er staat altijd iets belangrijks op het spel en tegelijk verbergt hij zijn ernst onder bergen sociaal-politiek incorrecte grappen.
Het Interessegebied begint als een Hemingway-achtig boek: stoer, seksistisch en romantisch. We zien een vrouw in witte enkellange jurk met strooien hoed, geflankeerd door twee dartele dochters. De hoofdpersoon, een man, broeit van verlangen, waardoor zijn beschrijving van deze dames filmische allure krijgt. Het licht breekt door zijn woorden, al helemaal als hij aan zijn kameraad vertelt dat de dame in kwestie de vrouw van de commandant is en hij haar zal verleiden. We voelen de warmte van de jarenlange intimiteit tussen twee jongemannen die aan waaghalzerij doen. Met een pagina zit je in een andere wereld, waarin je verlangt te zijn. Het seksisme en de overmoed (‘ik had menig donzig broekje uitgetrokken’), zijn vermakelijk, omdat de verteller, de dertiger Golo Thomsen, zo sappig overdrijft. 
Maar dan. Het motto van Macbeth zou je al gewaarschuwd moeten hebben dat Golo door het bloed zal waden om deze vrouw te schaken, er is geen weg meer terug. We zijn hier in de krochten van de hel, waar bloed dagelijks vloeit. De naam valt nergens, maar al gauw wordt duidelijk dat we in Auschwitz zitten en meeleven met nazi’s. Dit is geen Hemingway, maar een Philip Roth.
Amis koos voor drie perspectieven: Golo (zijn oom is de secretaris van Hitler), de kampcommandant Paul Doll en de ‘Sonder’ Szmul, die verantwoordelijk is voor het ruimen van de lijken uit de gaskamers, wat praktisch gezien nog niet makkelijk blijkt. Al snel wordt de roman smerig en akelig. Vooral het perspectief van Doll is vies: wanneer een lijkenruimer zijn vrouw tussen de lijken herkent, krijgt hij een schnaps en een stukje salami, ‘en 10 minuten later knipte hij er weer vrolijk op los’. Er wordt menselijk vet toegevoegd aan het vuur waarin de lijken worden vernietigd en Doll denkt: ‘niet vergeten Blobel en Benzler op deze besparing te wijzen.’  
Paul Doll pleit zichzelf vrij als volstrekt normaal mens. Hij is vooral met economische zaken bezig, alsof hij een knakworstenfabriek runt. Akelig genoeg wórdt hij humaan, ook al is hij klungelig en naïef (misschien moet je dat wel zijn in zo’n positie). Door de terloopse blik van anderen merk je dat hij een beul was, maar vanuit zijn perspectief is hij een goedaardige sul, die wat moeite heeft met de rigiditeit en opstandigheid van zijn vrouw. 
Wat moet Amis gewalgd hebben tijdens het schrijven, omdat zijn walging ten opzichte van de daders door zijn inlevingsvermogen verminderde. Dit boek is een moreel mijnenveld en alleen daarom al gruwelijk knap. Amis kroop eerder onder de huid van de duivel in de nogal gekunstelde roman De pijl van de tijd, waarin de tijd zich omgekeerd voltrok en een SS-arts openbaarde. Nu doet hij het weer, omdat hij de waanzin maar niet doorgrondt. Wat hij laat zien is dat de waanzin in iedereen schuilt. Het interessegebied vertelt je wie je bent. Het kamp is de spiegel van de ziel. Ook voor de lezer, zij het vanuit de veilige leunstoel. Maar hoe lang nog? Amis waarschuwt indirect voor losgeslagen potentaten als Poetin, wat de roman tot een groter verhaal maakt van indrukwekkende klasse en moed.

5 sterren


Martin Amis (vert. Janneke van der Meulen), Het Interessegebied, Atlas, 352 blz., € 21,99

zaterdag 16 augustus 2014

Ziehier de uitzending van de Boekenrubriek in de TROS Nieuwsshow van 16 augustus 2014 (http://www.radio1.nl/item/210565-Boekenrubriek%20met%20Fleur%20Speet.html), met daarin aandacht voor het uitzonderlijke boek van Juli Zeh, Briefroman, een boek waarin biochemie en muzikale compositie samengaan, Orfeo van Richard Powers, en de derde roman van Jannah Loontjens over de vertwijfeling van een generatie en de rol van Facebook hierin.

Hieronder mijn aantekeningen voor de uitzending, waarvan maar een klein deel uitgesproken is:

Ik begin meteen maar met het meest actuele boek: op 7 augustus verschenen, dus vers in de winkel, en het is ook het grappigste van de boeken die ik heb meegenomen. Het gaat over de poëtica van de veertigjarige Duitse schrijfster Juli Zeh. Ze heeft al heel wat prijzen op haar naam staan, waaronder de Thomas Mann prijs en de Per Olov Enquist prijs, en sinds Speeldrift is ze in Nederland ook wat bekender geworden. Vorig jaar nog verscheen een roman over een stel met een duikschool op Lanzarote, Nultijd, een heel vreemdaardig boek. Een beetje een thriller waarin zelfs een dode valt. Maar Zeh schrijft altijd vreemdaardige boeken. Ze daagt uit en is speels.
Dat is ze helemaal in dit boek, ze poneert voortdurend boude stellingen en maakt zichzelf belachelijk met groteske overdrijvingen en dat werkt heel goed, omdat ze wat waar is overdrijft, zodat het ware nóg waarder wordt. Veel lawaai maken en toch niet begrepen worden is haar werk, stelt ze.
Zeh krijgt van de universiteit van Frankfurt de uitnodiging om een lezing over haar poëtica te houden. En ze weigert. Hele eer hoor, en grote namen zijn haar voorgegaan, maar dat doet haar niets. Sterker, dat maakt het juist verdacht, ze noemt dat het Herta Müller-principe. Iedere uitnodiging voor een literair optreden gaat altijd gepaard met de opmerking dat Herta Müller haar is voorgegaan. Nou, en tot dat kleine clubje van de echte literatuur, een Nobelprijswinnaar, wil ze natuurlijk wel behoren. Which not. 
Met het vertellen over hoe ze schrijft en waarom ze schrijft haalt ze naar ze vreest de geest uit de fles. Poëticacolleges zijn even geloofwaardig als teleshopzenders, stelt ze. Want literatuur begint daar waar het onzegbare, onbeschrijfelijke en onuitsprekelijke begint. Ze snapt haar eigen werk pas als ze tig interviews heeft gegeven, ja en dan is ze de beste exegeet van allen.
Dat laat ze zien. Met brieven aan haar geliefde en beste lezer, aan de universiteit van Frankfurt en aan een Zweedse vriend, voor wie ze een verhaal verzint over een veertiger zoals Cunningham er een had kunnen maken: nog steeds ongebonden, nog steeds jong en snel, maar eigenlijk doodsbang en er volledig zeker van dat hij de komende tien jaar geveld zal raken door een of andere kanker. Hij is iemand die ‘zich nog altijd in de wachtkamer van het eigenlijke leven ophoudt, wachtend op het moment dat hij wordt binnengeroepen.’ Dat klinkt herkenbaar, toch?
Maar voordat Zeh deze man helemaal tot leven kan blazen, wat ze op verschillende manieren, heel achteloos kletsend doet, is hij alweer gestorven, omdat de lezer te dichtbij zijn oerstadium is gekomen. Schrijven met pottekijkers gaat niet, zoveel is duidelijk.
Schrijvers in stad en land wekken de indruk dat literair schrijven zoiets is als met lucifers de Eiffeltoren nabouwen: de werkelijkheid afbeelden met andere middelen. Maar het is je gewoon realiseren dat een gebeurtenis niet dat is wat er gebeurt, maar dat wat verteld kan worden. Schrijven is heel voorzichtig in je hoofd aan een breekbaar garen trekken dat uit de vreselijke warboel van gedachtedraadjes steekt die met elkaar verstrikt, verweven en aan elkaar vastgeknoopt zijn. 
Het komt er op neer dat je een personage in het nauw brengt volgens dramaturgische wetten, hij krijgt een tegenstrever en een kompaan bijvoorbeeld, om aan het eind een aristotelische peripetie te bewerkstelligen: een omwenteling. Deze mens is een ander geworden. Pas na de totale mislukking is de mens in staat om verantwoordelijkheid voor zichzelf te nemen, stelt Zeh. Hoe miserabel, het is allemaal narcisme. Schrijven is gewoon gênant, net als het leven zelf. Want het is een zinloze strijd tegen vergankelijkheid. Je leest om de pijnlijke aanwezigheid op deze planeet te verdragen, concludeert Zeh en ik denk dat ze gelijk heeft.

Dan zo’n boek dat onze pijnlijke aanwezigheid op deze planeet wat draaglijker maakt. omdat een ander nog harder lijdt dan wij. Richard Powers, we dwalen af naar Amerika. Daar zien we Peter Els druk in de weer zijn hond te begraven. Die is net overleden en in zijn wanhoop belt hij de politie. Die komt langs, kan niets doen en wil vertrekken, maar ziet opeens allemaal reageerbuisjes in de kamer staan, en een afdruk van zestiende eeuwse Arabische muziek aan de muur hangen. Je snapt het al, dat gaat mis. Hij krijgt een huiszoeking, precies als hijzelf een wandeling aan het maken is. Als hij terugkomt ziet hij zijn huis afgezet en hoe al zijn kweekjes en andere hobbymatige biochemische spulletjes worden weggedragen door Homeland Security. 
Hij neemt de benen en dan volgt een roadmovie waaruit blijkt dat Peter echt geen jihadist of bioterrorist is, maar een bevlogen en teleurgestelde avant-garde componist, die net als de legendarische Orfeus zijn verdwenen geliefde probeert terug te krijgen door steeds dieper in de onderwereld door te dringen. Hij componeert eigenlijk alleen maar voor het meisje uit zijn jeugd dat hem verliet. En daarna voor de vrouw die zijn dochter baarde. En misschien eigenlijk echt wel voor zijn dochter. Het draait allemaal om de vrouwen.
Peter is een componist die muziek in een bacterie wil schrijven, zodat de muziek voor eeuwig kan doorleven. Je kunt het zo gek niet bedenken, wetenschappers zijn er trouwens werkelijk mee bezig, dus zo gek is het niet en Powers maakt het allemaal heel logisch en overtuigend in meer dan 300 pagina’s. Hij schrijft heel smeuïg en tegelijk melancholisch en wijs over complexe wetenschap. Melancholisch omdat niemand de muziek die Peter componeerde beluisterde: hij maakte muziek voor zalen met bij wijze van spreken drie mensen erin. Het tragische is ook nog eens dat Peter eigenlijk met niemand in zijn leven echt een warm contact had, zelfs niet met zijn dochter, al komt hij aan het eind van de roman tragisch dichtbij, waardoor ik vochtige ogen kreeg.
De meeste emotie in deze roman ligt in de muziek. Dat levert lyrische passages op, pagina’s lang over een muziekuitvoering, hoe de tonen veranderen, meanderen, wat er lijkt te gebeuren in de muziek en wat voor associaties dit bij Peter oproept. Messiaen’s Kwartet voor het Einde der tijden weet hij onvergetelijk neer te zetten, net als Sjostakovich’s Vijfde Symphonie. Deze man is net als Zeh heel erudiet. Hij schrijft er net als zij erudiet proza bij, alleen mist hij de zelfspot van Zeh, die zij overigens in haar romans ook veel minder aan de dag legt dan in het besproken boek. Powers wil hetzelfde, Peter wil dat: de eeuwigheid vangen in muziek.

Wat deze drie boeken overigens door toeval bindt is dat ze alle drie refereren aan een nieuwe bedreiging van onze samenleving. Niet aan oorlogen zal de mensheid ten onder gaan, maar aan bacteriën. Zeh merkt het zijdelings op, Powers boek gaat er deels over en in het volgende boek is een bacterioloog aan het woord, dus geen wonder. 

Heel anders van toon, lichter en zoekender, maar aanhakend bij dezelfde onrust die ons vandaag de dag kenmerkt, is de nieuwe, aankomende week te verschijnen roman Misschien wel niet van Jannah Loontjens. De meesten kennen Loontjens inmiddels wel, is het niet van haar poëzie en vorige twee romans, dan toch van haar filosofische beschouwingen, die ze vorig jaar bundelde in Mijn leven is mooier dan literatuur.
Daarin tastte ze al af wat internet en Facebook met ons doet als mens, hoe het ons vervreemdt en voor nieuwe vragen zet. 
De roman begint heel mal met een spelletje van toch volwassen mensen, maargoed iedereen doet wel eens gek. Een stel vrienden gaat allemaal een voor een opgerold in een tapijt liggen en doet zich voor als dood. De anderen houden speeches hoe degene in het tapijt nou was, wat ze zullen missen, wat kenmerkend was. Ondertussen dwaalt onze hoofdpersoon Masje, een moeder van twee kinderen, af naar wat er eerder gebeurd is: ze zat op de fiets zit met achterop haar zoontje, op weg naar school en ze zagen een zeppelin. Ze willen er achteraan, zo leuk! En dan botst ze op een scooter en alles wordt zwart. Allemaal beelden schuiven langs haar ogen, maar dat gaat tamelijk berustend, paniek is niet aan de orde, eerder verbazing. Ze denkt bijvoorbeeld na over het feit dat kinderen zich niets meer herinneren van alles voor hun vierde jaar, hoezeer je ook je best hebt gedaan om iedere dag een goede moeder te zijn die niet ontploft. Ze is duidelijk een waarnemer, een observant aan de zijlijn, die zich verdwaald voelt in haar eigen leven. Het leven lijkt zo normaal, maar tegelijk is het bevreemdend. Want is het wel wat ze wilde?
Dezelfde avond dat ze in het tapijt gerold ligt, belt haar vader aan. Hij komt bij haar logeren omdat haar oma is overleden, de moeder van haar moeder. Haar moeder nam de benen toen ze jong was, ze kon het moederschap niet aan. Het is een roman over moederschap, maar ook over het zoekende van een hele generatie. Haar vader zegt tegen haar dat ze keuzes moet maken, bewuste keuzes voor wat ze wil. ‘Je moet kiezen voor het leven dat je leidt’. Ze laat het leven aan zich voorbij glijden als een toevalligheid en als ze dat doet is het straks voorbij, waarschuwt hij. 
Eigenlijk lijkt de hoofdpersoon wel een beetje op het personage dat Zeh had geschapen: gevoelsmatig verantwoordelijkheden nemen ho maar, echt hier en nu zijn, nou nee. Daarom waarschijnlijk gaat de hoofdpersoon van Loontjens ook vreemd, digitaal dan. Ze heeft een erotische chat-relatie en via Skype gaat ze uit de kleren, terwijl ze samenwoont met de vader van een van haar kinderen. Die gaat ondertussen vreemd met de buurvrouw. De hamvraag is dan: staat dat gelijk aan elkaar? Gaat het bij vreemdgaan om de fysieke daad of de mentale daad? Gek genoeg denk je dat het wel weer goed komt tussen deze twee, maar het blijft de vraag wat internet, iphones en Facebook met de mensen doet: vervult het een behoefte of gaat het juist met de mensen aan de haal en wordt het een verslaving? Wat doet het met ons sociale leven?

zaterdag 5 juli 2014

De TROS Nieuwsshow 5 juli 2014



Uitgeschreven voor de uitzending van vandaag, maar heel anders uitgesproken in de tros nieuwsshow, deze drie recensies van drie belangwekkende boeken (al het goede komt in drieën, denkt ook Harriet Burden uit Siri Hustvedt's De vlammende wereld ;-))

Om meteen bij de actualiteit aan te haken: morgen wordt in Haarlem een heel aardig festival gehouden, het Schwob-fest en dat is volledig gewijd aan literaire klassiekers. Het festival is genoemd naar Marcel Schwob, een beroemde joodse Franse symbolist die na zijn overlijden in de vergetelheid raakte. Dat is zonde en er zijn er meer van zulke auteurs, dus boekhandelaren in Nederland en Vlaanderen hebben nu meegedaan om de Schwob-titels, het zijn er tien, in het zonnetje te zetten en morgen komen in Haarlem tien ambassadeurs die boeken heel modern ‘pitchen’. Ze smeren je kortom mooie boeken aan. Dat lijkt me een prachtig streven.
Een van die ambassadeurs is de auteur Ivo Victoria, die morgen een warm pleidooi houdt voor Zwervers van Knut Hamsun. Iedere grote Noorse schrijver is schatplichtig aan hem. Hamsun leefde van 1859 tot 1952 en het moet opgebiecht: een minder frisse kant aan deze meneer is dat hij een Hitler-adept was. Dat werd hij op latere leeftijd, nadat hij in 1920 de Nobelprijs voor de literatuur al had binnen gesleept. Vandaar wellicht die vergetelheid.
Toch.. ik interviewde eens de Noorse schrijver Lars Saabye Christensen, maar hij vertelde dat hij na acht romans nog steeds bezig was zich te ontworstelen aan Hamsun. Hamsun was wereldwijd een inspiratiebron: Ernest Hemingway, Henry Miller, Thomas Mann; allemaal iconen. 
Wat maakt deze roman zo bijzonder? Eigenlijk niet erg veel, of althans niet zoveel waarvan wij nu opkijken. We hebben het allemaal al gezien, en geen wonder, want Hamsun stond aan de wieg van de literatuur zoals wij die nu kennen. Hij wordt beschouwd als de peetvader van de psychologische roman en duikt dan ook helemaal in het hoofd van een figuur. 
Edevart in dit geval. En vanuit zijn hoofd kijken we naar een andere hoofdfiguur, August. Hij komt uit hetzelfde Noorse kustdorp als Edevart, is wat ouder en een echte avonturier. Dat clasht lekker, vooral door de onbevangen, hardop denkende taal van Edevart.
August wil indruk maken in het dorp, hij reist rond met handeltjes en krijgt met grootspraak heel wat gedaan. Hij heeft briljante ideeën, maar ook een zwak voor meisjes aan wie hij zijn dure juwelen en gouden horloges geeft, die hij uiteraard niet terugkrijgt. Dan begint hij berooid van voren af aan. Everard volgt die golfbewegingen, maar is een stuk serieuzer en voorzichtiger. We zien hem haar op zijn tanden krijgen.
Ook is deze roman een queeste naar de echte liefde. Edevart is helemaal hoteldebotel wanneer hij tijdens zijn zwerftochten een moeder van twee jonge kindjes ontmoet. Hij ziet haar op de fjord staan in al haar eenvoud, met een hemdje en een versleten rok, blootsvoets en met lange, ruige haren. Vol in haar kracht. Maar als ze met haar man is geëmigreerd en gescheiden terugkeert uit Amerika, heeft ze ruisende drie-lagige rokken aan, snoert ze zich in een korset, blijft overal een hoedje dragen en rijglaarsjes. Ze is wuft geworden en kijkt neer op haar afkomst. Edevart is onthutst, al probeert hij een relatie met haar op te bouwen, maar dat gaat natuurlijk mis.
De grote wijsheid van deze roman is dat niemand rijker wordt van geld of materie. Die wijsheid is nog steeds een les. Als je daarbij optelt dat de roman fris vertaald is en veel beschrijvingen bevat zoals we ook kennen van Knausgard, nog een die wat aan Hamsun te danken heeft, dan begrijp je de betiteling moderne klassieker wel. 
Overigens volgden na Zwervers nog twee delen over August, dus voor de liefhebbers zit er meer in het vat.


Een boek dat zich nog moet bewijzen als klassieker, maar als het aan mij ligt wordt het dat, is De vlammende wereld van Siri Hustvedt. Dit boek raakt me echt. Het gaat over doodsangst en over het verbeten streven om betekenis te krijgen in het leven. Om gezien te worden, en dat willen we toch allemaal? Gezien worden? 
Hustvedt deelt net als Hamsun een wijsheid met ons, maar ze komt daar op een heel andere manier bij uit, veel caleidoscopischer, intelligenter en genuanceerder, waardoor die wijsheid pijnlijk wordt. Hoewel haar boek zeker een psychologische roman is, is het ook een filosofische, bijna essayistische roman en verfijnd humoristisch. Er valt heel wat te lachen.
Haar wijsheid is dat het contact met je naaste geliefden, je kinderen en kleinkinderen het enige is wat er werkelijk toe doet. Niet de erkenning van de wereld, de roem, is belangrijk voor je bestaan, maar gezien worden door dat kleine clubje mensen dat je innig liefhebt. Dat klinkt heel banaal, toch? Maar de beste literatuur durft zich aan banaliteit te branden.
De vlammende wereld is één grote grap: het is een nep-bloemlezing. Een fictieve hoogleraar verzamelde documenten over ene Harriet Burden. Het zijn dagboekfragmenten van haar, maar ook terugblikken van haar kinderen, interviews met mensen die haar hebben gekend, mensen uit de kunstwereld, en hilarisch oprechte inkijkjes in de psyche van haar vriend. Je krijgt de levensverhalen, vol verdriet en onvermogen van de verschillende vertellers, erbij cadeau. Dat geeft het boek een ongelooflijke diepte: al die levensdraden vormen samen een dik touw dat naar een anker op de bodem reikt. En dat anker is Harriet. 
Zelden krijg je iemand zo precies te zien, van zoveel verschillende kanten en zo eerlijk, als in dit boek. Je zou denken dat dit het beeld van Harriet compleet maakt. Vergeet het maar. Dat is nou precies wat dat deze roman aantoont: we zijn allemaal blind. 
De verhaallijn; Wanneer de man van Harriet, een beroemd New Yorks kunsthandelaar, overlijdt, besluit ze een daad te stellen. Ze is bejaard en kunstenares, maar ze is miskend en vergeten, eigenlijk net als Schwob, maar dan tijdens haar leven, wat nog tragischer is. Nu wil ze met haar kunstinstallaties, kijkdozen verstopt in ultragrote beelden, aantonen dat kijkers bevooroordeeld zijn. Ze zien alleen wat ze willen zien.
Volgens Harriet ligt het aan haar vrouw-zijn. Daarom vraagt ze bestaande mannelijke kunstenaars om hun naam aan haar werk uit te lenen: zij zijn haar levende pseudoniem. Zo presenteert ze drie kunstinstallaties, terwijl niemand weet dat zij achter de kunstwerken van de drie verschillende mannen schuilt. 
Wat dit boek zo spannend maakt, is dat je wilt weten of dit geen verzinsels van Harriet zijn. Je gelooft haar niet, omdat iedereen haar tegenspreekt. Het lijkt wel alsof het experiment van Harriet als een natte dweil in haar gezicht geworpen wordt. Pats, onzichtbaar zijn om gezien te worden? Joh, ze staat gewoon zichzelf in de weg, ga je denken.
Wat maar weinig romans doen is je uitdagen om zelf een mening te vormen. En Hustvedt daagt je extra uit door al die verschillende, oprechte perspectieven. Machtig vind ik dat.
En dan heb ik het nog niet over de stijl. Die is verzorgd, ironisch, wijs, en nergens overdadig. Er staan zoveel intelligente zinnen in dat ik de hele ochtend door zou kunnen gaan met citeren. Dat bespaar ik jullie, ik geef er een: 
’We zijn altijd bezig theorieën op te koken over hoe de wereld in elkaar zit en waarom mensen zich gedragen zoals ze doen, alsof wij zulke dingen kunnen weten, maar onze verklaringen zijn vaak net kartonnen filmsets die we voor de werkelijkheid plaatsen, omdat ze simpeler zijn en niet zo verwarrend als wat erachter schuilt’.  


Tot slot: Dave Eggers Uw vaderen, waar zijn zij? En de profeten, leven zij voor eeuwig?
Dit komt uit het Oude Testament, uit een stuk waarin de lof wordt gezongen van de weldoeners, terwijl de mislukkelingen de eeuwige verdoemenis wacht. Hoe rechtvaardig is dat? En hoe rechtvaardig is het om te oordelen over andere mensen? Deze vragen onderzoekt Eggers in zijn roman. 
Eggers is een naam die wellicht een bel doet rinkelen. Is het niet vanwege What is the What, over een jongen die de burgeroorlog in Zuid-Soedan overleefde, danwel vanwege zijn laatste, vorig jaar verschenen roman The Circle, over een internetbedrijf dat privacy-gevoelige gegevens koppelt aan een universeel besturingsprogramma. Een eng boek was dat.
Eggers grossiert in geëngageerde romans: hij zoekt graag grenzen op. Hij oordeelt niet, hij probeert het kwaad te naderen en de lezer medeverantwoordelijk te maken. 
Dit boek leest zoals al het werk van Eggers als een trein. Hij schrijft soepele spreektaal omdat het boek louter uit dialoog bestaat. Ook de structuur is eenvoudig en volgt vanzelf uit de vertelling. 
Die vertelling gaat zo. De dertiger Thomas, die er ooit van droomde om astronaut te worden, is zwaar teleurgesteld dat zijn ambities vervlogen zijn. Om erachter te komen wat hij nu met zijn leven moet, dwingt hij mensen tot een gesprek. En dat doet hij op een heel speciale manier.
Eerst met zijn studiegenoot Kev, die astronaut werd en in een maanshuttle wilde stappen. Maar eindelijk capabel om dat te doen, na alle opleidingen, trekt de overheid de stekker uit het shuttle-programma. En nu komt het: Thomas ontvoert Kev. Hij ketent hem met een handboei vast aan een stang van een koude cel in een verlaten militaire basis. Daar moet Kev maar eens eventjes vertellen wat hij nou van zijn mislukte leven vindt. Wat nou mislukt, maak me los, brult hij. Thomas blijft stoïcijns doorgaan met vragen stellen.
Omdat de overheid het shuttle-programma stopzette, ontvoert hij vervolgens een Congreslid. Zo krijg je steeds andere personages die Thomas associatief denkend besluit te ontvoeren. Hij houdt hen verantwoordelijk voor zijn levensgeluk, het is een tribunaal.
Eggers stelt de fundamentele vraag van een hele generatie. Wat is het nieuwe geloof? Dat leek altijd jezelf maken tot wie je wilt zijn: het maakbare lichaam, enzo. Dat blijkt niet te lukken, dus wat nu? 
Thomas wil een hoger doel dienen. Hij is iemand - vindt hijzelf althans - met principes en een moraal, iemand ook die heel vriendelijk blijft, terwijl hij toch uitgescholden wordt door zijn gevangenen. Maar hij is danig in de war. Want zeg nou zelf: wie ontvoert zijn eigen moeder en legt haar aan de ketting?
Heel lang kun je met Thomas en zijn verwondering meegaan. Zijn onvermogen is begrijpelijk, maar wat hij doet is absurd. Dat zet aan het denken. Tegelijk kraakt Eggers heel wat harde noten over de Amerikaanse dubbele moraal ten aanzien van seksueel misbruik, psychoses, de macht van de politie, want iemand wordt zomaar doodgeschoten, en het overheidsapparaat. 
Kortom: Eggers neemt Amerika de maat vanuit het perspectief van een dertiger en dat is best griezelig.